Humus – géén homo’s!

Sinds 9/11 kampen Arabieren in de VS met een slechte reputatie.

Komieken doen daar wat aan. ,,Je kunt om ons lachen. We zijn de vijand niet.”

Optreden op Arab Comedy Night. Rania Khalil, links, speelde een kunstenares die op een feestje werd bestookt met vragen: ‘Zijn je vrouwelijke familieleden besneden?’ ‘Mogen we je vagina zien?’ Rechts zit actrice Leila Buck. Foto’s Claudia van Rouendal Rouendal, Claudia van

Twee mannen spelen vliegveldje. Links Ryan Shrime, in de rol van Israëlisch douanier, rechts Omar Koury, Palestijn op bezoek. „Wat komt u doen in Jeruzalem”, vraagt de douanier.

„Mijn neefjes opzoeken.”

„Namen.”

„Mohammed, Mahmoud, Mustafa, Jihad, Osama, Saddam...”

„...meekomen. U bent uitgekozen voor een willekeurige controle. En wat is dit?”

„Mijn elektrische tandenborstel. Daarmee val ik zionistische tandplak aan.”

De grappen, zoals deze week in New York te horen, zijn hard, zitten vol vooroordelen. En ze vallen goed bij de bezoekers van de eerste ‘Arab-American Comedy Night’, een avond voor Arabieren met gevoel voor humor en, vooral, zelfspot. Want Arabieren hebben harige benen, rijden op kamelen, dragen tentachtige jurken, zien echtgenoten een leven lang niet naakt, doen niets liever dan een rel maken over cartoons van de profeet Mohammed en dragen exploderende schoenen. Tenminste, als je de acteurs en komieken moet geloven.

Dean Obeidalla organiseerde de avond. Ooit was hij advocaat in New York. Maar na de aanslagen van 11 september kon hij maar moeilijk wennen aan het nieuwe beeld dat Amerikanen van Arabieren kregen. „We zijn terroristen, denken ze. En dus niet geestig.” Dat moest veranderen. „Je kunt mét ons lachen. Je kunt óm ons lachen. We zijn de vijand niet.” Obeidalla ging in de tegenaanval en begon een comedyfestival, inclusief titel-met-een-knipoog ‘The Arabs are coming!’. Het festival bestaat inmiddels drie jaar en groeit nog steeds. Begin dit jaar trokken 18 komieken naar Los Angeles om de sketches, liedjes en de stand-up-comedy daar ook op te voeren.

Nu dan voor het eerst een Idols-achtige avond waar bezoekers op verschillende voorgelezen uitvoeringen konden stemmen. De winnaar is verzekerd van een plaats op het festival, dit najaar. De enige reden dat Obeidalla vrienden, bekenden en andere – zoals ze zichzelf dan wel weer politiek-correct noemen – Arabische-Amerikanen optrommelde om nu al over hun stukken na te denken, is „dat deze groep een vroege deadline nodig heeft”. De avond begon bijvoorbeeld om 7 uur, „Arab Standard Time”. Lees: iedereen komt toch te laat, we beginnen niet eerder dan half acht. „Inshallah.” Met gods wil.

In een van de zes inzendingen, ‘Life with Saddam’, is de rechtszaak tegen de Iraakse dictator relatief positief voor hem uitgevallen. Zijn straf is een huis in Californië, uitgerust met camera’s, 24 uur per dag op tv. Saddam heeft er een homoseksuele buurman. „Mijn volk houdt van humus”, zegt Saddam, gespeeld door Omar Koury. „Niet van homo’s.” De buurman nodigt hem uit voor een themafeestje: duizend-en-één-nacht. Versnaperingen zoals nacho’s om mee te dippen zijn er in overvloed. Saddam: „Het enige waar ik jou in wil dopen is een vat vol olie, net als de Koerden.”

De acteurs en komieken schakelen makkelijk over van de rol van ene Jennifer met een vet New Yorks accent die van het winkelcentrum houdt naar Layla die verliefd wordt op de man die haar een boottocht op de Nijl belooft. Of naar de Arabische kunstenares die zich op een feestje moet verantwoorden ten overstaan van Amerikaanse gasten: „Hoe ga je als Arabische om met de vrijheid van meningsuiting?” „President Bush zegt dat jullie niet van onze vrijheid houden. Waarom niet?” „Waarom reageren jullie zo sterk op vrolijke cartoons?” „Zijn je vrouwelijke familieleden besneden?”

„Mogen we je vagina zien?”

De toeschouwers zijn hoogopgeleid, goedgekleed, vaak niet ouder dan veertig en onder elkaar. Zonder een spoor van ironie vragen ze de minderheidsgroep van vanavond, de Nederlandse bezoeker, of hij kan bewijzen niet bij het Amerikaanse ministerie van Binnenlandse Veiligheid te werken.

Organisator Dean Obeidalla leeft in meer dan één wereld, vertelt hij graag. Zijn vader is Palestijn, wilde hem Salah Al-Deen noemen, naar een historische moslimfiguur. Zijn moeder is Italiaanse en wilde hem Dino noemen. Het werd een compromis: Dean. Obdeidalla: „Dat is wel zo makkelijk op het vliegveld.”

    • Freek Staps