Hoe koud het was in 1726

J. Buisman en A.F.V. van Engelen (red.): Duizend jaar weer, wind en water in de Lage landen. Deel 4 (1575-1675), deel 5 (1675-1750), Van Wijnen, resp. 766 en 999 blz. € 39,50

Nicolaas Cruquius: Het oudste weerboekje van Nederland. De weerwaarnemingen van Nicolaas Cruquius. Van Wijnen,192 blz. €35,–

Gehuiverd tot in april 2006, dit jaar. Sneeuw, vorst, de winter wilde maar niet wijken. Je zoekt naar troost: er waren vast erger tijden. Ik sloeg mijn vaste baken op in tijden van weerbekommernis: J. Buismans Duizend jaar weer, wind en water in de Lage landen. Troost inderdaad. Het jaar 1740 was veel erger. Apocalyptische vorst. November is al een wintermaand, maar in de nacht van 4 op 5 januari gaat de ijsbeer pas echt los. Op de tiende ‘vroze 2 mensen dood bij de overslagse mole tussen Delft en Overschie’. Bevroren oren en neuzen, gescheurde bruggen, stenen regenbakken gebarsten, onheilsprofeten zien een bevroren dampkring voor hun geestesoog. Rijn, Waal, Maas, IJssel en Schelde liggen dicht, koetsen met vier paarden bespannen steken het IJ over, een vrouwspersoon uit Hindeloopen arriveert per prikslede te Enkhuizen, te Losser (Twenthe) noteert een boerin: ‘Onsen haan heeft niet gekraaid, de lellen zijn hem afgevroren’. Prachtig. Na de overstraffe winter volgt de koudste lente ooit. Sneeuw op 1, 2, 3, 18, 19, 20 en 25 maart, licht tot matige vorst. Op 17 maart komt de Waal bij Nijmegen los, midden in de rivier is het ijs nog rond een meter dik. ‘Het Hoorn-vee is alom met menigte door gebrek aan voeder gecreveerd.’ Pas eind mei komen de eerste bladeren aan de bomen, bij onderzoek blijken erwten, bonen en het gras naar beneden te zijn gegroeid in plaats van naar boven.

Veel gehoord in 2006: ‘Er komt geen einde aan de winter. Dit was mijn reactie: ‘In 1740 was alles veel erger, en wat dacht je van 1709?’ Daar dachten de mensen niks van. Op basis van opnieuw Buismans Duizend jaar weer gemeld dat de Haarlemse Trekvaart in 1709 tot 20 maart door ijsgang gestremd was.

Sinds jaren werkt Buisman aan zijn standaardwerk over het weer in de Nederlanden. Een rijke bron van historisch informatie. Hij is nu, vanaf de eerste middeleeuwse weersmededelingen in kronieken en oorkonden, met het vijfde deel in zijn serie gevorderd tot het jaar 1750. Uitgeverij Van Wijnen publiceerde overigens onlangs een van Buismans bronnen in facsimile, het weerboekje van Nicolaas Cruquius.

Duizend jaar weer is het werk van de ideale leraar geschiedenis: harde gegevens en tabellen worden afgewisseld door verhalen en anekdotes, daarbij is alles in samenhang met alles: aardrijkskunde, krijgshistorie, planologie, economie, natte his, sociale geschiedenis, politieke historie, noem maar op. De gegevens per jaar worden afgewisseld met themablokjes, bij voorbeeld over het ontstaan van de krant, zeewezen, de geschiedenis van de thermometer, de Kleine IJstijd, zonnevlekken en poollicht. Vanaf het eerste deel in de reeks jubel ik over de Buismanboeken. Het zijn leesboeken, bladerboeken zoals naslagwerken dat zijn, het zijn leerboeken en troostboeken als je zelf weer eens iets over het weer te klagen hebt. Tenslotte zijn het nog eens conversatieboeken. Wat is er mooier om ten overstaan van een onbekende in kroeg of koffiehuis het gesprek te openen met ‘In 1726 hadden we voor het eerst sinds 21 jaar weer een Witte Kerst’?