Heb meer vertrouwen in professionals, ook bij beleid

Het is doorgaans zinloos om via opinieonderzoek te vragen welke maatregelen ‘Den Haag’ moet nemen. Hiervoor missen velen de vereiste kennis van zaken, meent W.L. Tiemeijer.

De opiniepeilingen vliegen ons tegenwoordig om de oren. Politiek en media willen niet nog een keer verrast worden door een ‘opstand der burgers’, en dus wordt steeds vaker onderzocht wat ‘de burger’ wil. Helaas niet altijd even goed.

Afgelopen zaterdag leverde Bregje Holleman in Opinie & Debat terechte kritiek op de representativiteit en vraagformulering van veel opinieonderzoek, zoals die van de recente enquête van het kabinet over hoe het nu verder moet met Europa.

Holleman heeft gelijk dat opinieonderzoek methodologisch moet deugen. Maar er is een ander en fundamenteler probleem met opiniepeilingen naar wat ‘Den Haag’ moet doen: ze zullen de kloof eerder groter dan kleiner maken.

Stel dat de regering altijd zou doen wat, volgens peilingen, de meerderheid wil. Dan zullen vaker maatregelen worden genomen die in zulk onderzoek goed scoren – zoals kleinere klassen, strenger straffen, meer asfalt – maar waarvan uiterst onzeker is of ze ook helpen. Wanneer dan later blijkt dat de problemen niet zijn opgelost, of zelfs erger zijn geworden, kan dat makkelijk leiden tot onvrede over een overheid die ‘niet levert’. Hier zou men natuurlijk kunnen tegenwerpen dat niemand ‘Den Haag’ verplicht klakkeloos over te nemen wat burgers volgens peilingen willen. En zolang de politiek maar haar eigen afweging blijft maken, kan zulk onderzoek toch ook geen kwaad?

Toch wel. Zelfs het publiceren van opinieonderzoek kan onbedoelde bijeffecten hebben. Het probleem is dat in veel enquêtes respondenten niet gedwongen worden keuzes te maken. Men kan vrolijk vragen om zowel betere publieke voorzieningen als hogere sociale uitkeringen als lagere belastingen als minder ambtenaren als meer inspraak als sterker leiderschap. Wanneer de regering vervolgens om begrijpelijke redenen niet al die wensen honoreert, ontstaat al snel het beeld dat ‘de overheid niet luistert’, dat dit toch geen democratie is, enzovoort.

Maar het is juist wél democratie. Politiek is een proces van overleg, van geven en nemen, van creatieve compromissen. Dit wordt in de logica van opiniepeilingen ontkend. Als u door een enquêteur wordt gebeld, is het beslist niet de bedoeling dat u eerst even met familie en buren gaat overleggen, om vervolgens met een gezamenlijk standpunt te komen. Nee, het gaat juist om wat ú wil, ongeacht de mening van anderen.

Opinieonderzoek over wat ‘Den Haag’ moet doen, communiceert impliciet een beeld over wat democratie is en hoe democratie werkt dat evenveel potentieel tot teleurstelling heeft als het beeld van de liefde in de Bouquet-reeks. In het echte leven moet men genoegen nemen met minder en moet men compromissen sluiten.

Veel van deze problemen kwamen samen in de Belevingsmonitor van het kabinet-Balkenende, die sinds 2003 wordt afgenomen. Het kabinet zou beter gaan luisteren naar de burgers. Dat hebben ze geweten. Iedere maand opnieuw kreeg de regering een reeks dikke onvoldoendes. Ambtenaren en kabinet waren not amused. Toenmalig minister De Graaf ging zelfs zover te pleiten voor stopzetten van het instrument, omdat dat „alleen maar kritiek genereerde op de overheid”.

Het is te simpel om deze reactie af te doen als struisvogelpolitiek. Wie de Belevingsmonitor goed bestudeert, zal namelijk concluderen dat deze wel móést resulteren in desastreuze resultaten. De respondenten konden naar hartelust vragen om alle mogelijke wenselijkheden, en dan kunnen de feitelijke prestaties van het kabinet niet anders dan tegenvallen.

De slechte resultaten waren dus grotendeels artefacten van de vragenlijst. Het vervelende was alleen dat ze vervolgens wel werden verspreid als ‘harde gegevens’ over wat burgers ‘echt’ vinden van dit kabinet. Zo organiseerde het kabinet onbedoeld zijn eigen ellende. Een instrument dat was opgezet om de kloof te verkleinen en een volgende Fortuyn-revolte te voorkomen, resulteerde in het omgekeerde: er werden cijfers geproduceerd die de indruk wekten dat de kloof nog veel groter is dan we dachten.

Dus de overheid kan beter stoppen met opinieonderzoek? Integendeel, dat is de verkeerde conclusie. Goed onderzoek naar problemen van burgers is zeer nuttig. Neem de Fortuyn-revolte. Inmiddels is wel duidelijk dat de belangrijkste reden om op de LPF te stemmen, lag in onvrede over ‘de buitenlanders’. Was het nu werkelijk nodig dat de politiek zich hierdoor liet verrassen? Nee, dat veel Nederlanders problemen hebben met hun steeds multiculturelere omgeving, is al zeker vijftien jaar bekend uit serieus opinieonderzoek. Kennelijk heeft niemand daar goed naar gekeken.

Ook is het nuttig als beleidsmakers beter uitzoeken wat de drijfveren van mensen zijn. Ten onrechte gaan zij ervan uit dat burgers altijd kostenbewust en calculerend handelen, en zo een heilzame corrigerende werking hebben op aanbieders van producten en diensten. Helaas, mensen blijken soms zeer ‘irrationeel’ in hun keuzegedrag, met als gevolg dat het mooie beleid mislukt. En ten onrechte gaan democratische vernieuwers ervan uit dat burgers en masse verlangen naar meer zelfbestuur en directe democratie.

De meeste burgers zitten hierop totaal niet te wachten. Gevolg is dat meer mogelijkheden tot politieke participatie juist leiden tot grotere politieke ongelijkheid, doordat alleen die mensen komen opdagen die toch al goede ingangen hadden bij de overheid.

Opinieonderzoek is zinvol, als het gaat om wat mensen meemaken in hun eigen leven of als het gaat om hun motivaties. „Onze samenleving heeft behoefte aan een betere waarneming en beschrijving van zichzelf”, concludeert de Vlaamse socioloog Elchardus in zijn analyse van Belgische politiek in tijden van maatschappelijk onbehagen. Dat geldt niet minder voor Nederland. Ook hier willen zowel burgers als staat zich nogal eens blindstaren op hun eigen virtuele realiteit, met alle gevolgen van dien.

Maar het is voor de beleidsvorming doorgaans zinloos om mensen in opinieonderzoek te gaan vragen welke beleidsmaatregelen ‘Den Haag’ moet nemen. Hiervoor missen velen de vereiste kennis van zaken. Niet dat de deskundigen altijd zo goed weten wat te doen, maar meestal kunnen zij toch net wat beter inschatten welk beleid in ieder geval niet zal werken. Ze zullen dus minder snel op grond van een naïef maakbaarheidsgeloof kiezen voor onbezonnen interventies die ons alleen maar van de wal in de sloot helpen. Opinieonderzoek naar de beleidsvoorkeuren van burgers is alleen nuttig om te toetsen of reeds voorgenomen beleid ook enig draagvlak heeft, of dat ‘beter uitleggen’ wellicht noodzakelijk is.

Nu is dit natuurlijk geen hip standpunt in toenemend anti-regenteske en anti-intellectualistische tijden. Opinieonderzoek sluit naadloos aan bij het egalitaire sentiment; ieders mening telt even zwaar. Toch, om aan te haken bij een tegenwoordig populair discours: heb meer vertrouwen in de professionals, óók als het gaat om beleidsvorming. Stuur hen niet aan op de ‘input’ met allerlei twijfelachtige instructies over ‘de wil van het volk’, maar geef hun de ruimte en reken hen af op resultaten. En als die niet bevallen, kan men altijd nog bij de volgende verkiezing de verantwoordelijken naar huis sturen.

Drs. W.L. Tiemeijer is communicatiewetenschapper en verdedigt op 7 juni zijn proefschrift ‘Het geheim van de burger; over staat en opinieonderzoek’ aan de Universiteit van Tilburg.

www.nrc.nl/opinie:Interview met Bregje Holleman.

    • W.L. Tiemeijer