Een mammoetbot op mijn pad

Ramsey Nasr: onze-lieve-vrouwe-zeppelin. Antwerpse gedichten. De Bezige Bij, 174 blz. €18,90.

Ramsey Nasr: Van de vijand en de muzikant. Essays, artikelen, opiniestukken. De Bezige Bij, 199 blz. €17,90.

‘Ik herinner mij een gesprek op het kabinet met de burgemeester en de schepen van cultuur, ten tijde van de heisa, waarbij op zeker ogenblik bloedserieus werd gesteld: ,,Het belangrijkste is nu dat er snel een gedicht komt”.’

Dit schrijft Ramsey Nasr, de Nederlandse dichter van Palestijnse afkomst, nu na afloop over het begin van zijn ambtsperiode als stadsdichter van Antwerpen, een functie die hij gedurende het jaar 2005 bekleedde. Hij was de opvolger van Tom Lanoye. Zijn aanstelling ging gepaard met een enorme politieke rel, die deels voortkwam uit het feit dat hij geen Belg was maar een Hollander, deels uit het feit dat hij geen Hollander was maar een Palestijn en voor het grootste deel uit het feit dat hij in een opiniestuk stelling had genomen in de Palestijnse kwestie op een manier die joodse organisaties in Antwerpen tegen de borst stuitte.

Zelden is er zoveel politieke ophef ontstaan over een dichter. En ik denk dat het nog nooit is voorgekomen dat politici er in alle ernst op hebben aangedrongen een revolte te smoren met een gedicht. Het gedicht kwam er. Het is getiteld ‘Stadsplant’ en is nu samen met de andere negen stadsgedichten die Nasr uit hoofde van zijn functie heeft geschreven, alsmede het lange zeppelingedicht ‘Z,’ dat in dezelfde periode ontstond, gebundeld in onze-lieve-vrouwe-zeppelin. Tegelijk met de dichtbundel verscheen een bundeling van Nasrs essays onder de titel Van de vijand en de muzikant.

Het gewraakte opiniestuk, dat oorspronkelijk op 9 oktober 2004 in deze krant verscheen onder de titel ‘Voorzitter Balkenende, heeft u wel een droom over Palestina?’ en dat in het Belgisch Israëlitisch Weekblad aanleiding gaf tot de kop ‘Ongelooflijk! Nieuwe stadsdichter van Antwerpen voert hetze tegen Israël. Ongelooflijk maar waar!’, is er uiteraard in opgenomen, alsmede het tweede stuk dat Nasr ongeveer twee weken later over de kwestie publiceerde. Zowel de bundel stadsgedichten als de bundel essays is voorzien van een uitgebreide toelichting, waarin de aanleidingen voor de gedichten en de reacties op de stukken in detail worden beschreven. De twee bundels samen vormen een uniek document over een politiek beladen dichterschap en geven een beklemmende impressie van de ongekende druk waaronder de dichter heeft moeten werken. Ze vormen verplichte literatuur voor ieder die wil weten wat er kan gebeuren wanneer poëzie wordt gedwongen zich met de politieke realiteit te verhouden.

Hoe schrijft een dichter die zonder het te willen het middelpunt is geworden van een politieke rel en die op last van burgemeester en schepen van cultuur zo snel mogelijk een gedicht moet schrijven om de rel te sussen? Wie weet heeft van de achtergronden en de situatie waarin het tot stand is gekomen, kan niet anders dan concluderen dat ‘Stadsplant’, het eerste stadsdichtersgedicht, een erg moedig gedicht is. Hoewel een stad en een hele natie over zijn schouders meekijken, zwicht Nasr niet voor de verleiding hun harten te winnen door middel van onschadelijke populistische verstaanbaarheid. Integendeel. Hij schrijft een lang, kolkend, lyrisch gedicht vol valstrikken en valkuilen dat zich zeker niet gemakkelijk gewonnen geeft. Bovendien slaagt Nasr erin zijn ambtsperiode te openen met een waarlijke ode aan de stad zonder dat hij de ophef die zijn aanstelling heeft veroorzaakt, wil negeren. Het gedicht drijft op de dubbelzinnigheid van een liefdesverklaring aan een stad die hem bijna heeft willen verstoten. Het begint zo:

het was zonnig die dag, ik liep zonder helm over de leien

ingeburgerd als altijd, vrij als een ijzeren vlinder, volmaakt

gelukkig en op deze dag stortte ik gillend omlaag langs de werken

waar een mammoetbot mijn val brak: welkom in antwerpen

Na deze ambigue opening beschrijft het eerste deel van het gedicht een merkwaardig aangenaam verblijf in een spookachtige ondergrondse spiegelversie van het echte Antwerpen. ‘Wist men dat op het kabinet, wist men daar / dat ik hier ondergronds kon bootjevaren in een illegale stad / waar elke straat een dubbelganger met naambord had?’ Deze illegale stad is de stad waarvan burgemeester en schepenen geen weet hebben. Met alle rust en eenzaamheid die zij de dichter gunt, is zij tevens de stad waarvan de dichter kon houden voordat de grote heisa begon.

In het tweede deel van het gedicht krijgen de Antwerpenaren het woord. In de eerste persoon meervoud spreken zij over ‘hem,’ de dichter voor wie zij zo bang zijn:

natuurlijk hadden we bang, ja bang dat hij via zwalpende omweg

aan onze melk, onze eiermarkt zou raken, schuren zou

langs de naakte muren van onze lieve vrouw of erger nog

bang hadden wij van gedachtes aan hem in de haarstraat

er waren er die hem s nachts richting bloedberg hadden horen

stiefelen (alleen dat woord al: stiefelen) en wat hij daar deed

we weten het niet, niemand heeft hem er ooit zien opduiken

wat extra verdacht was want wat had hij daar onzichtbaar te zoeken?

Het knappe hieraan is dat Nasr erin slaagt om de zeer concrete ophef poëtisch te vertalen in een abstract maar zeer verontrustend soort angst, de angst voor de buitenstaander, die misschien zelfs buitenlander is, die melk doet verzuren en onze lieve vrouwen bezoedelt, de angst voor hem in haar straat, voor zijn vreemde taalgebruik dat woorden als ‘stiefelen’ niet schuwt, de angst voor zijn ongrijpbaarheid.

In het derde deel van ‘Stadsplant’ tenslotte neemt de dichter het woord en spreekt hij tot zijn stadsgenoten. Wat hij zegt, is een liefdesverklaring. Maar zijn stadsgenoten blijven achterdochtig. Het gedicht sluit af met een ‘envoi.’ Traditioneel is dit het gedeelte waar de dichter zijn opdrachtgever aanspreekt. Hier zijn de rollen omgedraaid. De opdrachtgevers spreken de dichter aan op het gedicht dat hij zojuist heeft voltooid. Wederom wordt de dichter beschouwd als buitenstaander: ‘alles bon en wel, o grote poëet-labbekak-de-la-ville / maar excusé dat is antwerpen niet, uw hele sinksefoor daarboven / en uw mammoetbot en alles, schoon ze, maar dat pakt hier niet’.

De poëtische vertaling van een gevoel van vervreemding en de liefdesverklaring van de dichter die door iedereen als buitenstaander wordt gezien, maakt dit tot een gedicht dat moedig is toegesneden op de aanleiding, maar ook tot een gedicht dat los van die aanleiding een goed gedicht is. Zo begon het moeilijkste stadsdichterschap glorieus. De toon wordt volgehouden in de overige stadsgedichten, die bij elkaar een rumoerig en dubbelzinnig portret geven van de stad die zo makkelijk te haten zou zijn als de dichter haar niet liefhad. We zullen er in dit stuk niet meer over kunnen spreken. U zult ze zelf lezen.

    • Ilja Leonard Pfeijffer