Een falende staat

Oost-Timor was de hoop van de internationale gemeenschap. In 2002 werd het na een bloedige vrijheidsstrijd, en een periode dat het onder toezicht van de Verenigde Naties stond, een zelfstandige republiek. Jaren daarvoor, in 1975, werd de onafhankelijkheid van Portugal uitgeroepen, maar nog in datzelfde jaar had Indonesië het eilanddeel bezet. Het nieuwe millennium bracht een paar mooie vooruitzichten. Er was vrede. Voormalige vrijheidsstrijders werden politici en gingen regeren. De langdurige internationale bemoeienis gaf de toekomstige natie de glans van een showcase. Het is een valse schittering gebleken. Door de onrust en de strijd van de afgelopen dagen, en de machteloosheid van de regering, zijn land en bevolking jaren teruggezet. Oost-Timor lijkt het klassieke geval van een falende staat.

Dat is treurig om vast te stellen. Niet alleen voor de Timorezen, maar ook voor de wereldgemeenschap, die jarenlang veel tijd, geld en energie aan Oost-Timor heeft besteed. De vraag luidt: hoe levensvatbaar is dit land? Het antwoord daarop wordt niet alleen bepaald door de paar honderd amok makende militairen die de afgelopen dagen dood en verderf zaaiden. Zij zijn het symptoom van een veelomvattender kwaal. De economie komt niet van de grond. Het jaarinkomen per hoofd van de bevolking is sinds de onafhankelijkheid zeer laag gebleven (circa 400 dollar) en de werkloosheid hoog (50 procent). De inspanningen om olie- en gasvelden te exploiteren, verlopen traag en brengen weinig op.

Ernstig is ook dat de regering er ondanks de hooggespannen verwachtingen niet in is geslaagd het sektarische geweld in te dammen. De rebellerende militairen hebben tribale verschillen tussen het westen en oosten van het land aangegrepen om elkaar en de bevolking naar het leven te staan. Het is veelzeggend dat Oost-Timor zich tot Australië moest wenden met een verzoek om militaire hulp. Die kwam snel, maar voor de president en zijn premier is de komst van de buitenlandse troepen een testimonium paupertatis; een bewijs van onvermogen dat vergaande gevolgen kan hebben. De kwetsbare relatie met Indonesië komt erdoor onder druk te staan. Onrust en buitenlandse troepen in een zo nabij gelegen gebied kunnen Jakarta licht tot bemoeienis verleiden.

Feitelijk hebben de Oost-Timorese autoriteiten in de paar jaar die de onafhankelijkheid nu duurt, gefaald op belangrijke staatsterreinen: de politiek (sektarische spanningen), de economie (geen groei) en het leger (muiterij). De hoop van Oost-Timor – dat het zelfstandig kan bestaan – blijft dus vooral hoop. Australië moet de orde herstellen. Andere landen (Portugal, Nieuw Zeeland, Maleisië) hebben eveneens troepen beloofd. De secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan, is bezorgd en stuurt een speciale gezant. Het lot van de Oost-Timorezen ligt andermaal in handen van de wereldgemeenschap. Het is helaas de enige manier om de onrust te bezweren. Maar het gezagsvraagstuk is daarmee niet opgelost. Deze staat is nog lang geen staat. Dat is een pijnlijke constatering, eerder gedaan door Indonesië en met een echo die verder klinkt dan de Kleine Soenda-eilanden.