Droomboek

Sexy, mysterieus en vijftalig: ‘De droom van Poliphilus’ is het merkwaardigste boek uit de Renaissance. Wie de eerste Nederlandse vertaling leest, wordt meegesleept in een chaotische roman die grote invloed heeft gehad op de cultuurgeschiedenis.

Francesco Colonna: De droom van Poliphilus – Hypnerotomachia Poliphili Uit het Italiaans en Latijn vertaald door Ike Cialona. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2 delen (geb.), 466 en 174 blz. € 54,95 tot 1 juli 2006, daarna € 59,95. Luxe editie, 752 blz. € 295,00

De Italiaanse dichter en humanist Francesco Petrarca ging graag tussen de ruïnes van Rome zitten, dromend over roem en glorie – en hoe het die kon vergaan. In 1368 keek hij uit over de door koeien en geiten begraasde vlakte van het vervallen Forum Romanum dat sinds de late oudheid een spook was geworden, en constateerde dat ‘van dat oude Rome nu niets meer over is dan een samenvatting of een droombeeld’. Petrarca zette hiermee een trend. De hele Renaissance door zijn humanisten in zijn voetsporen getreden en mijmerend gaan wandelen over Forum en Capitool. ‘Nu van goud, ooit ruig door wild struikgewas’, had Vergilius gedicht over het klassieke Rome van zijn eigen tijd. ‘Ooit van goud, nu vervuild door distels en vol troep’, werd daar in 1430 gedesillusioneerd door een pauselijk secretaris aan toegevoegd. Wij denken dan aan romantische Ruinenfreude. Maar de humanisten niet.

Hun ging het vóór alles om een grote droom: het weer tot leven wekken van de glorie van de Oudheid. Deze, zo stelden ze, had alles gehad wat een mens kan begeren, behalve het christendom. Dat paradijs moest, nu mét de essentiële toevoeging van het ware geloof, weer binnen handbereik komen. Daar komt dan ook de term ‘Renaissance’ vandaan. Daar ook de tomeloze energie en creativiteit, de reuzenarbeid en de levensvreugde, de nieuwsgierigheid en onverschrokkenheid in intellectueel en moreel opzicht, die wij nu met deze periode associëren. Wat in de Romantiek een melancholische ‘ruïnevreugde’ werd, was in de Renaissance een koortsachtige, hoopvolle wensdroom, aan de verwezenlijking waarvan iedereen met enig fatsoen zijn steentje wilde bijdragen.

Die gedroomde oudheid bestond niet alleen uit prachtige monumenten die trotse macht verbeeldden. Zowel de poëzie als de beeldende kunst uit de oudheid, die vanaf de vroege 15de eeuw in toenemende mate werd bestudeerd en gereconstrueerd, gaf zicht op prachtige, verleidelijke en bewonderenswaardige goden, godinnen en nimfen. In de wereld van de antieke kunst konden mensen bovendien met goden omgaan, zelfs kinderen met ze krijgen. De wereld van de antieke poëzie was sterk geërotiseerd. De Romeinse dichter Tibullus had het zelfs over een Elysium van minnaars, waar alle geliefden uit de geschiedenis schaamteloos, onschuldig en vooral intens gelukkig aan elkaar aan het knabbelen waren. Dit in schril contrast met de christelijke reserves tegenover zinnelijkheid.

Het zijn deze twee elementen, de fascinatie met antieke resten en de droom die af te maken, én de droom van een zinnelijke liefde als fatsoenlijk levensdoel, die het merkwaardigste, wellicht veelzeggendste, en zeker het mooist gedrukte boek van de Renaissance het licht hebben doen zien, niet in Rome zelf, maar in Venetië, één van zijn grote rivalen. De Hypnerotomachia Poliphili – nu vertaald als De droom van Poliphilus – verscheen daar zonder vermelding van de auteur in 1499, in het fonds van Italiës meest prestigieuze drukker Aldus Manutius (dat de auteur Francesco Colonna was, bewijst een acrostichon van de eerste letters van de hoofdstukken; over de vraag welke Colonna het hier betreft is elders op deze pagina te lezen). En binnen dat fonds had het ook nog eens een unieke positie: het betrof geen Griekse of Latijnse tekst maar een ‘Italiaanse’. De aanhalingstekens verwijzen naar de merkwaardige taal waarin deze allegorische roman is gesteld: een mengeling van Italiaans, Latijn en Grieks, volgestopt met Hebreeuwse en Arabische citaten. We hebben hier waarlijk met een monument voor multiculturaliteit te doen. En dat monument is ook nog eens, voor het eerst in de geschiedenis van het moderne boek, schitterend geïllustreerd met gravures van de meest fantastische bouwwerken, raadsels en wonderscènes. Deze, en de door Manutius ontwikkelde letter, die deels de moderne druktraditie heeft bepaald, zijn nu trouw gereproduceerd in de voortreffelijke eerste Nederlandse vertaling van Ike Cialona.

Om de woorden droom, liefde en strijd, in de titel verstopt, draait het inderdaad: de droom van liefde en oudheid, de liefde voor vrouwen en oudheid, en de strijd met liefde en oudheid, die worden geleverd door Poliphilus, minnaar van vele dingen (‘polla’), maar vooral van zijn gebiedster Polia, die wellicht naar een veelheid verwijst, maar evenzeer naar Athena Polia, beschermster van kunsten en wetenschappen. Niet dat zij kuis is als Athene, trouwens. Integendeel. Na een doorwaakte hopeloze liefdesnacht slaapt Poliphilus aan het begin van het boek in en wordt als een nieuwe Dante belaagd in een duister woud. Hij ontkomt daaraan, maar treedt, in contrast met Dante’s Hel, toe tot een schitterende, mysterieuze en vooral vrije wereld vol adembenemende nimfen, lekker eten, luxe baden, exclusief vermaak en antieke schoonheden. Daar vindt hij zijn Polia, wordt door Venus met haar verbonden en geniet onbeschrijflijk geluk – tot hij weer wakker wordt. De droom van Poliphilus is, enige benauwde momenten daargelaten, één groot feest van eros en oudheidliefde. Poliphilus heeft moeite met kiezen, raakt de draad hier en daar kwijt, kiest toch voor het meisje, en ziet dan tot zijn onuitsprekelijke blijdschap dat het meisje alles wat de oudheid zo leuk maakt in zich bergt, en slaat zo dus twee vliegen in één klap.

Als de aanschouwing van de vervallen gebouwen en de brokstukken en zelfs het verpulverde puin uit de eerbiedwaardige Oudheid al zo’n bewondering in ons wekt en ons zo’n genoegen schenkt, hoe groot zou onze verrukking niet zijn als dit alles onbeschadigd was gebleven?’ mijmert Poliphilus en illustreert daarmee hoezeer hij in de bovengeschetste humanistische traditie van wederopbouw staat. Hij is net, in zijn droom, tot de toverwereld toegetreden via het portaal van een wonderbaarlijk bouwwerk. Dat is gebaseerd op het Mausoleum te Halicarnassus (dat alleen uit beschrijvingen bekend was en nu integraal en intact in de tekst verrijst als reconstructie), maar wordt bekroond door een piramide met daarop weer een obelisk, symbool van Egyptische, hermetische wijsheid en mysteriegodsdienst. Op een plein ervoor staan ook nog een olifant met een obelisk op zijn rug (later door Bernini met zichtbaar plezier herschapen vóór de Santa Maria sopra Minerva in Rome) en andere wonderbare beelden en raadsels in hiëroglyfen. Zijn zintuigen worden door verrukking en verbijstering bevangen, en bijna vergeet hij zijn Polia. Het gebouw zelf slaat hem haast met stomheid – haast, want hij wijdt er pagina na pagina vol superlatieven aan: ‘met hoeveel stoutmoedige vindingrijkheid, met hoeveel durf en mankracht en organisatievermogen en ongelofelijke financiële offers had men, als het ware rivaliserend met de goden, een dergelijke kolossale creatie kunnen doen verrijzen?’ Vervolgens krijgt de lezer alles te zien, niet zo zeer dankzij het plaatje, dat zwart-wit is en niet heel gedetailleerd, maar door de ronddwalende, warrelende beschrijving van detail na detail.

Het is hier dat zich de bijzondere aard van dit boek nog het meest openbaart. Colonna lijkt bewust het vertellen en het beschrijven, de twee grote taken van de auteur, zo door elkaar te halen dat ze in elkaar overgaan. De vertelling van Poliphilus’s verhaal bestaat uit beschrijvingen, en het boek is daarom wel een ‘antidynamisch concept’ toegedicht – Italiaanse geleerden houden van moeilijke woorden, zoals ook uit de Hypnerotomachie zelf blijkt. Hierin dwaalt de lezersblik inderdaad rond als in een pretpark: op goed geluk, en niet geleid door een onontkoombare plot.

In 1923 kreeg de conservator van het Metropolitan Museum in New York voor zijn collectie een exemplaar van dit boek, dat toen al eeuwen een standaardwas voor boekdrukkers en een waar collector’s item. Hij bewonderde de schoonheid van het zetwerk, de afbeeldingen, de letter, maar oordeelde wat betreft de inhoud vernietigend: ‘a dull, unreadable romance written in learned macaronics‘. Lezers heeft de Hypnerotomachie weinig gekregen, bewonderaars des te meer. Het oneindige verhaal kon de lezers gestolen worden, want er gebeurde haast niets. Dat komt vooral door het eenzijdige beeld dat is ontstaan van de Renaissance als bakermat van strakke compositie en eenparige narratieve beweging. In Florence en Rome, in de kunst van Rafaël en Michelangelo, is voor dat beeld een rechtvaardiging te vinden, hoewel het in het classicisme al te zeer is uitvergroot. Maar de Renaissance was ook één groot project van visualisatie van het antieke verleden als gehoopte droom, en dat is wat de Hypnerotomachie beoogt, en waarin het boek wonderwel slaagt. Wie met de juiste ogen leest, en dat kan nu door de prachtige vertaling van Cialona, gaat zien, gaat meeleven in een chaotisch avontuur, dromend als Petrarca, Poggio en zo vele anderen, maar nu niet in Rome maar in het verre Venetië.

De Oudheid wordt in de Hypnerotomachie beleefd als een mysteriereligie, gecodeerd in de vele (beeld)raadsels in het boek. Door het portaal van de piramide en obelisk van het hermetische Egypte betreedt Poliphilus de wondere wereld der nimfen, en wordt waarlijk vrij. Die vrijheid geldt zoals gezegd in het bijzonder de liefde. Colonna’s beschrijvingen van zowel erotische aanvechtingen als het onbeschrijflijke geluk van de gunst van de ware beminde, zijn niet alleen roerend maar ook beeldend en trefzeker. In het gezelschap geraakt van de vijf nimfen die de zintuigen verbeelden en van oogverblindende schoonheid zijn, is de onschuld van het zwempartijtje van de vrolijke Poliphilus al even groot als die van zijn gezellinnen: ‘[zij] legden hun zijden gewaden op de stenen banken en vergaarden hun prachtige blonde lokken in haarnetjes van fraai gevlochten gouddraad. Onbezorgd maar toch kuis lieten ze mij vrijelijk hun welgevormde, tere lichaam geheel ontbloot zien en bekijken: hun smetteloze huid had de kleur van met sneeuw besprenkelde rozen.’

De grote vrijheid die de auteur zich permitteert is, in de theologie van de Renaissance, die ten diepste metaforisch was, niet uitzonderlijk. Het is pas in 1527 met de doorbraak van de Reformatie en de plundering van Rome door de lansknechten van Karel de Vijfde, dat de letterlijkheid en de strengheid in de pan sloegen – ironisch genoeg tevens het jaar dat Colonna op 94-jarige leeftijd stierf. Bovendien zijn de verlokkingen van de nimfen slechts een voorspel tot het rijzend besef van Poliphilus dat Polia de ware is, die hij bemint met een door lichaam en ziel gedeelde passie: ‘ze sloeg haar roomblanke, smetteloze armen om mijn hals en kuste mij, zachtjes bijtend, met haar koraalrode mond. Haar speelse, vochtige, suikerzoete, zuigende tong deed mij bijna sterven.’ Dit was de conservator van de Metropolitan Museum misschien te veel. Maar wellicht wist hij niet dat hier sprake is van wat de onlangs overleden latinist Jan Pieter Guépin de ‘Platoonse tongzoen’ heeft genoemd, een niet minder geestelijk dan lichamelijk verschijnsel.

Het plezier dat Ike Cialona in haar geweldige arbeid heeft gehad is aan elke pagina te zien. Het commentaar is uiterst instructief en accuraat. Het enige bezwaar tegen de vertaling kun je haar eigenlijk niet kwalijk nemen: dat ze Colonna’s unieke literaire taal, de mengeling van Venetiaans, Toscaans, Latijn en Grieks die nooit door een sterveling kan zijn gesproken, omzet in vlekkeloos Nederlands. Laat het publiek eerst maar eens gaan lezen, dan komen de finesses van het taalprobleem later wel, moet ze gedacht hebben, en terecht. Het voorbeeldig geproduceerde boek kan in haar vertaling inderdaad nu op eigen kracht laten zien hoe fascinerend het is, en hoeft niet meer alleen maar om de letter, de plaatjes of de geweldige invloed die het gehad heeft op de intellectuele en beeldende traditie van de Europese cultuur in de kast verstopt te worden.

    • David Rijser