De schrijver als kwaal en diagnose

Michel Houellebecq heeft de hypocrisie tot principe verheven. Dat is ongemakkelijk, maar wél literair. Lees en discussieer mee op www.nrc.nl/leesclub.

In zijn vernietigende bespreking van De wereld als markt en strijd, schreef Ger Groot vorige week in de Leesclub dat Michel Houellebecq van de moderniteit ‘niet de diagnose, maar de kwaal’ vormt. Daar zit iets in, hoewel je het werk van Houellebecq nog beter kan omschrijven als de diagnose én de kwaal; juist dat maakt Houellebecq tot zo’n bijzonder schrijver. Dat zijn werk vaak grof, vulgair en psychologisch weinig verfijnd is, zoals Groot hem verwijt, wie kan het ontkennen? De wereld die Houellebecq beschrijft is dat ook; vorm en inhoud vallen zo naadloos samen, meer kun je van een literaire stijl niet verwachten, zegt Houellebecq zelf in de essaybundel De koude revolutie. En gelijk heeft hij.

De wereld als markt en strijd is zijn meest autobiografische boek. Houellebecq was net als de romanheld computerprogrammeur, kampte ook met een zware depressie en werd eveneens opgenomen in een psychiatrische inrichting. De filosofische en sociologische ideeën die in de roman voorkomen, komen ook overeen met de opvattingen van de schrijver. De moderne wereld staat niet alleen in het teken van economisch liberalisme, maar ook van ‘seksueel liberalisme’, dat een vergelijkbare kloof heeft doen ontstaan tussen de haves en have nots. ‘In een volkomen liberaal seksueel stelsel hebben sommigen een afwisselend, opwindend seksleven; anderen zijn veroordeeld tot masturbatie en eenzaamheid.’

Zijn personages weten zich economisch gezien staande te houden, maar ze gaan ten onder omdat ze sociaal en seksueel tot de onderklasse behoren. Zijn favoriete hulpwetenschap is – anders dan bij de meeste schrijvers – niet de psychologie, maar de sociologie: het lijden kan maatschappelijk worden verklaard, de psychologie is overbodig. Een psychotherapeut roept de held in de roman daarvoor op het matje. ‘Door voortdurend maar uit te weiden over de maatschappij werpt u een barrière op waarachter u zich verschuilt; die barrière moet ik vernietigen, willen we aan uw persoonlijke problemen kunnen werken.’ De lezer weet dan al beter.

Houellebecqs sociologische interesse keert ook terug in zijn warme aandacht voor informatica. Met zijn belangstelling voor technologie onderscheidt hij zich opnieuw van veel collega's, in dit boek, maar ook in Elementaire deeltjes en Mogelijkheid van een eiland (eugenetica en klonen) en Platform (economie en marketing van het massatoerisme). Je zou willen dat meer romanschrijvers op die manier de luiken eens opengooien.

Dat Houellebecq put uit eigen ervaringen, en daarom mede een symptoom is van wat hij beschrijft, geeft zijn boeken juist hun lading. De schrijver is onlosmakelijk verbonden met de wereld die hij beschrijft, die hij ondanks dat ranzig en verwerpelijk vindt. In een interview in De koude revolutie zegt hij: ‘Persoonlijk zie ik maar één weg, namelijk om compromisloos de tegenstrijdigheden te blijven verwoorden waardoor ik word verscheurd, in de wetenschap dat die tegenstrijdigheden later zeer waarschijnlijk kenmerkend voor mijn tijd zullen blijken.’

Juist die tweeslachtigheid maakt Houellebecq tot een schrijver die terecht volop in de belangstelling staat. In zijn cultuurpessimisme tapt hij in hoge mate uit het bekende vaatje van conservatieve cultuurkritiek: traditionele ‘joods-christelijke’ normen en waarden als opofferingsgezindheid en onbaatzuchtigheid zijn verslonden door ongebreidelde marktwerking; in het liberale individualisme van de westerse ‘vrijetijdsbeschaving’ vieren egoïsme en narcisme hoogtij. Wat Houellebecq onderscheidt, is dat hij zichzelf daarbij, in tegenstelling tot de meeste doemprofeten en ondergangsdenkers, niet buiten schot laat. Zo kan hij in Platform het sekstoerisme in Thailand zowel beschrijven als een uitwas van de ‘vermarkting’ van seks, maar ook als een aanlokkelijk seksueel nirvana, waarin in elke behoefte is voorzien. Houellebecq heeft de hypocrisie tot principe verheven. Maar hij doorziet zijn eigen positie zo genadeloos, dat die hypocrisie meteen wordt geneutraliseerd. Dat is ongemakkelijk – dat is literatuur.

Houellebecq doet zo precies het tegenovergestelde van wat in het aristocratische genre van de cultuurkritiek de norm is. Kenmerkend voor het cultuurpessimisme, is een grote, bijna onoverbrugbare afstand tussen de schrijver en het onderwerp. De cultuurpessimist – van Nietzsche tot Spengler en Huizinga – beschrijft een wereld waarvan hij zelf geen deel uitmaakt. Hoe kan hij er anders kritiek op hebben? Hij zit als het ware op een hoge berg, zodat hij met afstand en overzicht kan toekijken op de krioelende massa beneden hem. Impliciet of expliciet belichaamt hij een alternatief voor wat hij aan de kaak stelt.

Houellebecq heeft die pretentie – of uitweg – niet. Hij kan een zeer naargeestig beeld schetsen van een wereld die geregeerd wordt door commercie, en intussen zelf gedienstig meewerken aan het commerciële circus rond zijn boeken. Hij kan foeteren op de vrijzinnige seksuele moraal, terwijl zijn romans wemelen van de pornografische passages. Dat maakt zijn maatschappijvisie niet gratuit, integendeel. Juist die dubbelzinnigheid maakt het lastig om schouderophalend aan zijn cultuurkritiek voorbij te gaan. Houellebecq weet ten slotte waar hij het over heeft. Hij verwoordt zijn wanhoop over de westerse massacultuur door zich er zelf in onder te dompelen. Als democratisch genre is het cultuurpessimisme misschien wel wanhopiger dan in de oorspronkelijke, aristocratische gedaante – in elk geval minder vrijblijvend.

    • Peter de Bruijn