De premier wordt meer de baas van het kabinet

De minister-president is in het staatsbestel de eerste onder zijn gelijken. Maar recent is dat gewijzigd. De premier heeft meer macht gekregen en mag nu zelf onderwerpen agenderen.

Het kon niet langer wachten, vindt het kabinet: om zijn rol in Europa te versterken en hem meer ‘regie’ te geven in Europese zaken krijgt de Nederlandse minister-president meer rechten. Volgens een recentelijk door de regering naar de Eerste Kamer gestuurd document zal het Reglement van Orde van de Ministerraad zó worden gewijzigd, dat de premier voortaan zelf onderwerpen op de agenda van de ministerraad kan zetten. Nu kan hij dat alleen maar „in overeenstemming met de gevoelens van de ministerraad”, dat wil zeggen als een meerderheid van de ministers het er mee eens is, of als de ‘vakminister’ op wiens terrein een bepaalde zaak ligt, het ermee eens is.

Met deze wijziging komt in feite een einde aan de staatsrechtelijke regel in Nederland, dat de premier onder de ministers ‘primus inter pares’ (eerste onder zijns gelijken) is en wordt de minister-president meer de ‘baas’ van het kabinet. De bepaling dat de minister-president zélf mag agenderen, was al betrekkelijk nieuw – zij dateert uit begin jaren negentig. De nu voorgestelde verruiming van deze bevoegdheid loopt vooruit op de resultaten van een ministeriële werkgroep over de positie van de premier. Deze hervorming is bedoeld voor Europese aangelegenheden, maar geldt in principe voor alle onderwerpen. In hoeverre premier Balkenende er veel gebruik van zal maken is nog de vraag – ingewijden zeggen dat zijn neiging duidelijk het voortouw te nemen betrekkelijk gering is.

De hervorming, zegt staatssecretaris Nicolaï (Europese Zaken, VVD), moet er mede voor zorgen dat de Nederlandse minister-president in vergaderingen van Europese leiders een krachtiger positie heeft. Die hebben in veel gevallen een duidelijker politieke leidersrol in hun land. „We hebben ons gerealiseerd dat we hiermee vooruitlopen op de gedachtevorming over een algehele herziening van de rol van de Nederlandse minister-president”, aldus Nicolaï. „De verandering is echter urgent, bovendien heeft de Tweede Kamer om een grotere rol van de premier in Europese aangelegenheden gevraagd”.

Het document in kwestie is het kabinetsstandpunt inzake een vorig jaar door de Raad van State uitgebracht advies over de Nederlandse staatsinstellingen en Europa. Het daarin opgenomen voorstel de coördinatie van Europees beleid op elk vakgebied te delegeren naar de betrokken vakministeries wijst het kabinet van de hand – dit blijft bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Anders dan her en der is bepleit, wil het kabinet niet dat het ambt van staatssecretaris (of minister) van Europese Zaken verhuist van het ministerie van Buitenlandse Zaken naar dat van Algemene Zaken. Minister Bot (Buitenlandse Zaken, CDA), die zich naar verluidt heeft verzet tegen ‘aanslagen’ op de Europese rol van zijn departement, heeft het pleit gewonnen.

Nicolaï zelf vindt dat in een volgend kabinet het huidig ambt van staatssecretaris van Europese Zaken moet worden opgewaardeerd tot een tweede minister op BZ. Dat onder de kabinetten-Balkenende de bewindspersoon voor Europa alle ministerraden mocht bijwonen, zij het als staatssecretaris zonder stem, heeft „heel goed gewerkt”, meent Nicolaï. „Nu is het tijd de volgende stap te zetten”.

Daar wordt in de Tweede Kamer verschillend over gedacht. VVD’er Van Baalen meent dat zo’n minister van Europese Zaken best op Algemene Zaken kan komen. „Als hij op Buitenlandse Zaken blijft is het misschien maar het beste om hem meteen vice-premier te maken”. PvdA’er Timmermans vindt het ongewenst dat de bewindspersoon voor Europa, zoals nu, hiërarchisch ondergeschikt blijft aan de minister van Buitenlandse Zaken. Zijn CDA-collega Van Dijk vindt de kwestie ‘staatssecretaris of minister’ minder belangrijk. Wel meent hij dat de premier op zijn kleine ministerie wat meer hoge ambtenaren, de raadsadviseurs, moet krijgen om aan zijn grotere rol invulling te geven.

    • Raymond van den Boogaard