De minderheid tegen de minderheid

In een volumineuze studie wordt de relatie tussen joden en katholieken in Nederland beschreven. Een wisselend beeld komt naar voren, van saamhorigheid, antisemitisme en oecumene.

Paus Johannes Paulus II bij de Klaagmuur in Jeruzalem Foto Gabriel Bouys/Reuters Pope John Paul II stands next to Jerusalem's Wailing Wall, Judaism's holiest site after placing a prayer message March 26. The 79 year old Pontiff is on the last day of a historic six-day pilgrimage to the Holy Land [touring three sites holy to Muslims, Jews and Christians. Foto Gabriel Bouys REUTERS

Marcel Poorthuis en Theo Salemink: Een donkere spiegel. Nederlandse katholieken over joden, 1870- 2005. Tussen antisemitisme en erkenning.Valkhof Pers, 961 blz. € 40,-

De jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog werpt haar schaduw achteruit in de geschiedenis. De mate van antisemitisme onder katholieken in Nederland wordt ook in zijn vooroorlogse vorm veel ernstiger genomen dan door de tijdgenoten gebeurde. De conclusie is niet eenduidig. Er is soms virulent antisemitisme maar er is ook een constante kritiek daarop in katholieke kring. Het is geen intrinsieke factor in het proces van katholieke maatschappelijke bewustwording en al evenmin wordt een unieke band met het jodendom verdedigd, zoals dat soms in protestantse kring wordt beleden.

Deze uitkomst staat in een fors boek over katholieke beeldvorming over joden in Nederland tussen 1870 en 2005; resultaat van onderzoek van de Katholieke Theologische Universiteit in Utrecht. De schrijvers, Marcel Poorthuis en Theo Salemink, hebben zich gericht op geschriften, op de preken en soms ook op personen zoals Sophie van Leer (1892-1953), telg uit een joods geslacht, die naar het katholicisme overstapte, zich Francisca ging noemen en een leven besteedde aan verzoening tussen Rome en Israël.

De reikwijdte van het onderzoek is indrukwekkend. Maar er is ook een keerzijde. Het gaat om beeldvorming over joden in katholieke kring. De joodse geschiedenis zelf is geen substantieel onderwerp. De wederkerigheid, de onderlinge beïnvloeding in de relatie tussen joden en katholieken is geen thema.

De eerste invalshoek is een theologische. De christelijke godsdienst is voortgekomen uit de joodse en worstelt met dat verleden. In de katholieke kerk werd in de liturgie van Goede Vrijdag het gebed uitgesproken Pro perfidis Judaeis, voor de trouweloze joden. Het verwijst naar hun aandeel in de kruisdood van Christus en is zowel in de westerse als in de oosterse variant van het christendom een voortdurende aanleiding tot antisemitische gewelddaden geweest. Het gebed is eerst in 1959, dus enige tijd na de Tweede Wereldoorlog, geschrapt. Het ritueel en de zondagspreek zijn de publieke gelegenheden waarin opvattingen en beelden over joden worden verbreid. Maar er is ook een geschiedenis van theologische reflectie over de verhouding tussen beide godsdiensten en er is een bijbelwetenschap.

De auteurs spelen een ‘thuiswedstrijd’ en de informatieve waarde van hun theologische hoofdstukken is dan ook het grootst. In de bijbelwetenschap, die voor zover het de Nederlandse katholieken betreft een concreet voorbeeld is van hun wetenschappelijke emancipatie, werd de verbinding van ‘het oude Israël’ met het christendom als het ware opnieuw uitgevonden. Dat gebeurde in de historisch-kritische analyse, die de Limburgse priester Henri Poels hier introduceerde voor hij in 1910 door het Vaticaan werd ontslagen als hoogleraar in Washington. Aan het einde van deze ontwikkeling staan de naoorlogse en oecumenische bijbelkringen met als opvallende figuren de jezuïeten Jan van Kilsdonk en Huub Oosterhuis, die meer dan ooit de joodse oorsprong van de christelijke godsdienst benadrukten.

Bevrijding

Ongrijpbaar blijft eigenlijk een tweede hoofdthema: de katholieke vorm van antisemitisme dat zich in de 20ste eeuw richt tegen de moderne (en geseculariseerde) samenleving en tegen joden als de dragers daarvan. Hier wreekt zich dat de auteurs niet naar wederkerigheid hebben gezocht maar zich concentreren op de katholieke kant van de beeldvorming. In de Nederlandse geschiedenis kennen joden en katholieken een gemeenschappelijk moment van bevrijding: de scheiding van kerk en staat in de Bataafse Republiek en de gelijkstelling van alle godsdiensten. In de eerste helft van de 19de eeuw zijn beide minderheden een bondgenoot van het opkomende liberalisme, dat deze scheiding blijft verzekeren.

Dit liberalisme maar zeker ook het socialisme en het communisme zijn in de 20ste eeuw een politieke leer, waarin de geëmancipeerde en geseculariseerde joden zichzelf kunnen vinden en waarin zij veel intellectuele en politieke leidersfuncties vervullen; in partij en vakbeweging. Dat is overigens een verschijnsel, dat niet tot Nederland beperkt blijft; integendeel zelfs. Katho- lieken daarentegen vormen na 1870 hun eigen politieke beweging, al zijn er ex-katholieken onder de oprichters van de sociaal-democratische partij (SDAP). Radicalen onder hen ageren vanuit een confessionele (ultramontaanse) maatschappijleer tegen het modernisme van Freud of de geseculariseerde (‘goddeloze’) ideologie van Marx. Veel van de antisemitische ideeën onder katholieke kunstenaars (Alphons Diepenbrock) of onder katholieke vakbondsleiders, dat in deze studie wordt gesignaleerd, is daarop terug te voeren.

Een soortgelijke redenering bepaalt de houding van katholieken tegenover de staat Israël, die in dit boek uitvoerig aan de orde wordt gesteld. Vóór de Tweede Wereldoorlog was het opkomende zionisme door een katholieke elite waargenomen als een variant van het Russische communisme; modern, geseculariseerd en door een socialistische cultuur gedomineerd.

Toen in 1948 de droom van de joodse staat werd verwezenlijkt, was in Nederland de officiële erkenning ervan geen vanzelfsprekende zaak. Daar waren verschillende redenen voor. Een ervan was de politieke voorzichtigheid van de Nederlandse regering om het islamitische Indonesië, waarmee zij in 1948 nog een Unie wilde aangaan, niet voor het hoofd te stoten. In de kring van de Katholieke Volks Partij, de grootste regeringspartner, was men bereid zich te laten adviseren door het Vaticaan, dat steeds bleef hameren op de noodzaak van een internationalisering van de voor het christendom ‘heilige plaatsen’. Maar ook de beeldvorming van een socialistisch Israël en de (tijdelijk) prominente steun van de Sovjet-Unie voor de nieuwe staat speelden een rol.

De aarzeling om een staat te erkennen, die mede tot stand kwam als een consequentie van de nationaal-socialistische jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog, wekt bij de schrijvers verbazing. Er is een ‘Gebed voor Palestina’ afgedrukt, waarin kardinaal De Jong in 1949 opkomt voor de Arabische vluchtelingen die huis en haard in het tot Israël omgevormde deel van Palestina hebben moeten verlaten. Hij is dezelfde, die als aartsbisschop van Utrecht in de zomer van 1942 de eerste verantwoordelijke is voor een aanklacht van de kansels tegen de deportatie van de joden in het bezette Nederland. Dat feit en de strafmaatregel die erop volgde – de deportatie van uiteindelijk 114 katholiek gedoopte joden – zijn in de internationale literatuur over de jodenvervolging vaak geciteerd. Zij zijn als het ware het alternatief van het openlijke protest tegenover het diplomatieke zwijgen van paus Pius XII.

Oorlogservaring

Deze feiten maken twee historische waarnemingen duidelijk. De eerste is, dat in de periode onmiddellijk na de bevrijding de jodenvervolging (nog) niet het kernstuk was geworden van de collectieve oorlogservaring. Het besef daarvan en de gevolgen die dat moest hebben voor een katholiek gewetensonderzoek, zijn eigenlijk eerst tijdens het Tweede Vaticaanse Concilie in de jaren zestig aan de orde gekomen. Nog sterker was dat het thema aan het einde van de 20ste eeuw, toen zowel de Poolse paus Johannes Paulus II als het Nederlandse episcopaat in openbare verklaringen schuld beleed voor theologische en kerkelijke bijdragen aan het antisemitisme, het motief van de moord op zes miljoen joden.

De tweede waarneming geldt de zorg van de auteurs om het protest van de aartsbisschop niet tot een mythe te laten uitgroeien. Het was in 1942 een moedige daad en het komt van een herder die als kerkhistoricus zijn lessen had geleerd en die in de jaren dertig en nog eens in 1941 zijn schapen de steun aan de nationaal-socialistische beweging ontzegt. Poorthuis en Salemink vragen zich af of dit protest ook te verklaren valt vanuit het historisch besef een katholieke minderheid te zijn. De Jong is inderdaad afkomstig van een wel heel kleine katholieke minderheid op Ameland. Toen het erop aan kwam, was hij duidelijk en dapper. Maar dat is, zoals elders in de christelijke kerken in Europa, een persoonlijk initiatief geweest. De Jong hoort in de rij van protesterende prelaten als de orthodoxe aartsbisschop van Athene, Damaskinos, of van de orthodoxe aartsbisschop in Sofia. Er is geen andere verklaring dan hun overtuiging.

Rectificatie / Gerectificeerd

Bij de illustratie van het artikel ‘De minderheid over de minderheid ' (Boeken, 26.05.06) stond de naam van de kunstenaar verkeerd gespeld. Het moet zijn: Henk Asperslagh.

    • Jan Bank