Zin in 60 uur werken

Nederlanders halen zelfs voor hoogopgeleid werk steeds vaker hun neus op.

Universiteiten, accountants en ICT-bedrijven vullen gaten met mensen uit Polen en Azië.

Het snelloket voor kennismigranten deelde sinds 2004 circa 2.000 werkvergunningen uit aan hoogopgeleide werknemers. Foto Evelyne Jacq Nederland, Utrecht, 30-05-2003 Utrecht University College . Afstudeer ceremonie van Internationale studenten van het UCU van de Universiteit Utrecht. de plechtigheid vond plaats in de Domkerk. Het Utrecht University College bevindt zich op een apart campus. De studenten wonen en volgen colleges op het campusterrein. De campus bevindt zich op een voormalig Kazerneterrein. de studenten wachten hier op de uitreiking. Veel vrouwen studeren af. Studenten, vrouwen, academici, hoog onderwijs, universiteit, afstuderen. Foto: Evelyne Jacq Jacq, Evelyne

Het is het aspergeseizoen, de tijd van het jaar dat de campings in Limburg en Brabant dichtslibben met Poolse aspergestekers. Ook de bloembollenstreek kan niet zonder buitenlandse seizoenarbeiders om de oogst gepeld te krijgen. Het is bekend dat voor veel laaggeschoold werk nauwelijks nog Nederlanders te vinden zijn. Maar dat geldt ook voor steeds meer banen voor hoogopgeleiden.

Bij gebrek aan geschikte Nederlandse kandidaten stromen jaarlijks duizenden ICT’ers uit India en China, verpleegsters uit Zuid-Afrika, accountants uit Polen en onderzoekers uit Azië en Oost-Europa Nederland binnen. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), die sinds 2004 een snelloket heeft voor kennismigranten, deelde vorig jaar 2.000 werkvergunningen uit. De duizenden kennismigranten die op andere manieren binnenkomen, bijvoorbeeld omdat ze een EU-paspoort hebben, komen daar nog bij.

Accountancy is één van de sectoren waar de nood hoog is. De salarissen bij grote bedrijven als PricewaterhouseCoopers of Ernst & Young zijn riant, de carrièrekansen prachtig, alleen zien veel Nederlandse afgestudeerden werkweken van 60 uur niet zitten. Krystian Mardausz, die drie jaar geleden rechtstreeks van de universiteit in het Poolse Poznan naar het Amsterdamse kantoor van PricewaterhouseCoopers (PwC) werd gehaald, vindt dat geen probleem. „Polen zijn gewend om hard, waarschijnlijk te hard, te werken. Nederlanders leggen meer nadruk op de balans tussen werk en privé. Zover zijn we in Polen niet, al zal dat zeker komen.”

Mardausz is afgekomen op de internationale reputatie van Amsterdam. „Ik wilde naar het buitenland om zoveel mogelijk nieuwe kennis op te zuigen en met internationale klanten te werken. Amsterdam is daarvoor de ideale plek. Het is een smeltkroes, veel internationaler dan Polen.” Hij behoort tot de dertig Polen die naar Nederland zijn gekomen nadat de Nederlandse tak van PwC in 2004 met de rekrutering van Poolse afgestudeerden is begonnen. Het bedrijf speurt sinds kort ook naar geschikte kandidaten in Turkije en Griekenland.

„Internationale uitwisseling van personeel, met name met Angelsaksische landen, doen we al veel langer”, zegt Robert Swaak, de partner bij PwC die verantwoordelijk is voor de wervingsprogramma’s voor buitenlandse afgestudeerden. „Dat we nu, in samenwerking met PwC-kantoren ter plaatse, direct vanaf buitenlandse universiteiten rekruteren is wel nieuw. We kijken ook voortdurend naar nieuwe landen die geschikt zouden kunnen zijn. De schaarste aan personeel in Nederland is een feit waar we mee moeten leren leven.”

De Technische Universiteit (TU) in Delft zit met hetzelfde probleem. Geld voor onderzoek, afkomstig van overheid en bedrijfsleven, loopt weliswaar gestaag binnen, maar de TU heeft de grootst mogelijke moeite om Nederlandse promovendi en wetenschappelijke onderzoekers te vinden. „De wetenschap wordt door Nederlanders zelden als eerste keus gezien”, zegt Ingrid Emmerik, personeelsmanager bij de TU Delft. „Afgestudeerde ingenieurs gaan liever meteen het bedrijfsleven in, waar veel meer geld wordt verdiend, of ze willen een eigen bedrijf starten.”

Dus haalt de TU jaarlijks enkele honderden onderzoekers uit Oost-Europa, Azië en Afrika naar Delft om de gaten op te vullen. Vier op de tien promovendi komen niet uit Nederland. Emmerik: „Een internationale mix is natuurlijk heel mooi. Maar die mensen gaan wel weer weg. Als je het niveau van Nederland als kenniseconomie wilt verhogen, zoals de politiek wil, zul je ook meer Nederlandse onderzoekers moeten trekken.”

De Chinese promovenda Yawei Chen blijft voorlopig hier, al is ze bijna klaar met haar onderzoek naar publiekprivate projecten aan de Delftse faculteit Bouwkunde. Chen belandde in 1999 via een studiebeurs in Nederland. „Na mijn studie aan de Tongji Universiteit in Sjanghai had ik zeven jaar als stadsplanoloog gewerkt, maar ik kreeg het gevoel dat ik niets meer leerde. Toen hoorde ik via Nederlandse kennissen van mijn zus over het Netherlands Fellowship Program.”

Chen kwam door de zware selectie heen en ging studeren aan het Institute for Housing and Urban Development Studies in Rotterdam, waar ze anderhalf jaar later cum laude haar master of science-titel behaalde. „Eigenlijk wilde ik daarna promoveren in de Verenigde Staten, het land waar de meeste Chinezen naartoe willen. Maar inmiddels had ik een Nederlandse man ontmoet en die wilde niet weg, dus werd het de TU Delft. En als ik klaar ben met mijn promotie, ga ik verder als wetenschapper in Nederland.”

Ook Krystian Mardausz van PwC heeft een Nederlandse vriendin en is voorlopig niet van plan weg te gaan. „Waar krijg ik de kans om met zoveel verschillende nationaliteiten samen te werken? Ik klik ook goed met Nederlanders. Ik vind ze heel open.” Chen is minder onder de indruk van de open instelling van Nederland. „Als ik hier naar een congres op mijn vakgebied ga, valt me op dat ik heel vaak de enige wetenschapper ben die naar projecten buiten Nederland kijkt.” Sociaal ziet ze dezelfde blikvernauwing. „Zes jaar geleden waren Nederlanders nog nieuwsgierig naar je achtergrond. Nu overheerst vaak onverschilligheid.”

    • Jacco Kroon