Tegen de rioolmaffia

G. Lettinga (Dongjum, Fr., 1 april 1936) woont in Amsterdam. Nederland, Amsterdam, 17-05-2006 Gatze Lettinga is Professor emeritus at the Wageningen University, Netherlands, and Doctor Honoris Causa at both the University of Valladolid and of Santiago de Compostela in Spain. He invented the worldwide-applied UASB reactor. He was awarded "Karl-Imhoff Award" from IWA in 1992, the Royal Shell prize for Sustainable Development and Energy in 2000, among others. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Gatze Lettinga is 70 en hij heeft het over de zuivering van afvalwater. Hij wekt de indruk dat hij het altijd over de zuivering van afvalwater heeft. Hij is professor in deze materie geweest in Wageningen.

Zijn vader had een boerderij. „Gemengd bedrijf, zoals het moest, zoals het had moeten blijven.”

Zijn moeder was onderwijzeres, een Siderius. „Dat was een uitvindersfamilie, een club van ijzermannen, machinewerk.” Zij is inmiddels 97.

Het was dus vooral door zijn moeder dat hij in Delft ging studeren. Zijn promotieonderzoek had oorspronkelijk betrekking op de winning van drinkwater uit radio-actief besmet oppervlaktewater. „Het onzinnige was: als dat water zo verontreinigd was geweest, had er geen kip meer rondgelopen die behoefte had aan drinkwater.”

„En”, zegt hij „ik was echt naar Delft gegaan om iets relevants te doen. Ik voelde me vreselijk gefrustreerd.”

In 1970 ging hij over naar een nieuwe vakgroep in Wageningen, van het fysisch-chemische naar het biologische, „waar ik niks vanaf wist.” Maar het eerste het beste artikel dat hij daar las, was van de Amerikaan McCarty en ging over de anaërobe zuivering van afvalwater. Daarmee had hij zijn plechtanker gevonden. Nooit meer een publicatie of redevoering zonder verwijzing naar Perry McCarty.

Je hebt, dat weet je nog wel van de hbs, aërobe en anaërobe bacteriën. Aërobe verbruiken zuurstof, anaërobe niet. Aërobe processen kosten energie, anaërobe leveren energie op. Een kind begrijpt dat het maatschappelijk een grote winst zou betekenen als bij de zuivering van afvalwater van aërobe op anaërobe systemen werd overgegaan.

Goed, het idee was er, nu de techniek. In Wageningen werd algauw een kleine UASB-reactor gebouwd (‘Upflow Anaerobic Sludge Bed’) en hij wérkte. Een hele keten van bacteriën gaat de organische verontreiniging in het water te lijf: het eindproduct van de ene dient telkens als voedsel voor de volgende. En zo moet je eigenlijk het hele proces zien: de verandering van afval in grondstoffen.

„De natuur”, zegt hij, „kan dat heel goed regelen. We moeten haar alleen niet overvragen.”

„Een UASB-reactor”, zegt hij, „produceert energie in de vorm van uitstekend bruikbaar biogas, en het produceert bovendien meststoffen en compost. Ook als je de noodzakelijke voor- en nabehandeling van het water meeneemt, blijft de balans geweldig positief. En het systeem geweldig duurzaam. Het bacteriemateriaal groeit langzaam, maar sterft nog langzamer. Zo’n installatie kan een jaar stilstaan – je pompt er water in en die bacteriën gaan gewoon verder waar ze gebleven waren.”

Enige minpunt: de verpletterende eenvoud van dit procédé. Het ziet eruit als een prestatie van de natuur, niet van ingenieurs. Daar houden de ingenieurs niet van.

Goed, de techniek was er, nu de toepassing ervan. Hij vertelt hoe zijn vakgroep toenadering zocht tot het bedrijfsleven, de aardappelverwerkende industrie in Groningen en de suikerbietenverwerkende industrie in Brabant (en hoe dergelijke contacten in wetenschappelijke kring werden gewantrouwd, „terwijl ik nu bekend sta als de laatste marxist van Wageningen”). Want begin jaren zeventig was de Wet Verontreiniging Oppervlaktewater van kracht geworden en dat dreigde ze een hoop geld te gaan kosten.

Hij vertelt dat hij bijna te laat in de gaten kreeg dat het bedrijfsleven vooral geïnteresseerd was in de patenteerbaarheid van het UASB-systeen, om er ook op die manier aan te verdienen. „Daar heb ik nog net een stokje voor kunnen steken door dingen te publiceren. Nee, dat hebben ze me niet in dank afgenomen. Maar voor mij is een zuivere omgang met ons leefmilieu ook en vooral een kwestie van zuiver denken.”

Hoe het ook zij, in de private sector wordt de anaërobe zuivering van afvalwater tegenwoordig wijd en zijd toegepast. In schril contrast daarmee: de publieke sector. Daar kun je met je verstand toch niet bij. Dat zweert nog steeds bij de riolering: het leggen en onderhouden van geweldige ondergrondse systemen, het gebruik van enorme hoeveelheden schoon water voor het transport van afval, de perspompen, de beluchting van aërobe zuiveringsinstallaties – wat dat allemaal niet kost aan energie en geld. „Nu ja”, zegt hij, „dat is natuurlijk maar belastinggeld, geld van iedereen en niemand.”

„En wat houdt dat systeem in stand?” vraag ik.

„Wat denk je?” vraagt hij.

„Zeg jij het maar”, zeg ik.

„De betonboeren dus, de pompenbouwers, de ingenieursbureaus, de betrokken ambtelijke afdelingen van lagere en hogere overheden, kortom: de gevestigde belangen, of nog korterom: de rioolmaffia.

„Ik woonde”, zegt hij, „tot voor kort in het buitengebied bij Heerenveen. Daar had ik mijn eigen systeempje en dat voldeed uitstekend. Toen ik het huis verkocht, was het binnen een maand aangesloten op het riool.”

„Ik heb”, zeg ik, „aansluiting op het riool altijd als een teken van vooruitgang gezien.”

„Maar het is”, zegt hij, „een stap terug.”

Nu bewoont hij een nieuw appartement aan het IJ. „In dit gebouw”, zegt hij, „had heel goed een UASB-installatie in de kelder kunnen staan. Want dat is ook een voordeel, je kunt dit systeem eindeloos decentraliseren.”

En hij vertelt over zijn worsteling met de rioolmaffia in andere werelddelen, in Colombia, Brazilië, Zuid-Afrika, India – al die landen waar het riooldenken zou kunnen en moeten worden gesmoord voor het tot leven komt.

„Welke rol”, vraag ik, „speelt je leeftijd in dit verhaal?”

„Ik maak mijn testament op”, zegt hij. Maar dat lijkt me nogal voorbarig, deze man is zo’n beetje de jeugdigste 70-jarige die ik ben tegengekomen.

„Ik heb een boodschap”, zegt hij dan, „en die blijf ik verkondigen. Want dit moeten de mensen toch weten. Dat vind jij toch ook?”

„Ik zal opschrijven wat je me verteld hebt”, beloof ik. „Voor zover het mijn begrip niet te boven gaat natuurlijk.”

    • Koos van Zomeren