Rapport: veel mis bij opgravingen

Bij de overdracht van archeologische vondsten door opgravingsbedrijven aan provinciale depots is veel mis. Ook op de depots is het nodige aan te merken. Dit constateert de Erfgoedinspectie in het rapport Wie wat bewaart heeft wat.

Bedrijven moeten twee jaar na een opgraving hun onderzoek afronden en de vondsten overbrengen naar één van de tien provinciale depots. Dit gebeurt nauwelijks en zeker niet op tijd. De inspectie schrijft ook dat de bedrijven slechts mondjesmaat digitale kopieën van de documentatie naar de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek sturen.

De meeste depots voldoen niet aan brandveiligheidseisen en hebben geen ruimten met klimaatbeheersing. Verder nam volgens het rapport één depot uit ruimtegebrek geen vondsten aan, was een ander gesloten bij gebrek aan een beheerder en had bij een derde een schimmel toegeslagen.

Conservering leidt regelmatig tot discussies tussen depots en opgravingsbedrijven. De depots willen dat de bedrijven vooraf zelf metalen en organisch materiaal restaureren en conserveren. In hun offertes moeten met die kosten rekening houden. Uit concurrentieoverwegingen gebeurt dat steeds minder. Een enkel depot laat de vondsten dan maar op kosten van de provincie conserveren. Volgens de Erfgoedinspectie hebben bedrijven ook al te conserveren materiaal laten verdwijnen of vergaan. Een slechte ontwikkeling, omdat het uitgangspunt van het onlangs door de Tweede Kamer goedgekeurde Verdrag van Malta juist behoud van archeologie is. De inspectie denkt dat een deel van de misstanden komt door aanloopproblemen. In Nederland is pas sinds 2002 sprake van een commerciële opgravingsmarkt.

    • Theo Toebosch