Positie premier in kabinet versterkt

De positie van de minister-president binnen het kabinet wordt versterkt. Hij wordt meer regeringsleider en is niet langer ‘eerste onder zijns gelijken’. Dat heeft de regering gisteren bekendgemaakt.

De verandering is bedoeld om de minister-president meer armslag te geven in Europese aangelegenheden. Er komt een eind aan de regel dat de premier alleen onderwerpen op de agenda van de ministerraad kan zetten als de betrokken ‘vakminister’ het wil of een meerderheid binnen de raad het daarmee eens is. Voortaan kan hij onderwerpen naar eigen inzicht op de agenda plaatsen en daarover ‘onderraden’ van vakministers bijeenroepen.

De verandering bestaat uit een wijziging in het Reglement van Orde van de Ministerraad. Dat de minister-president alleen kan agenderen ‘in overeenstemming met de gevoelens van de ministerraad’ verdwijnt daaruit. Gebroken wordt met de staatsrechtelijke situatie dat een premier in Nederland slechts ‘eerste onder zijns gelijken’ (primus inter pares) is, en daarmee meer vertolker van de gevoelens van de hele ministerraad dan initiatiefnemer.

De voorgestelde wijziging loopt vooruit op een algehele herziening van de rol van de minister-president, waarover een commissie binnen het kabinet zich buigt. De versterking van de rol van de minister-president in Europese zaken lijkt minder groot dan de afgelopen jaren door adviesorganen als de Raad van State en de Raad voor Openbaar bestuur is bepleit. Ook de Tweede Kamer had vorig jaar om die versterking gevraagd.

De hervorming is vervat in de kabinetsreactie op het advies ‘Nederlandse staatsinstellingen en Europa’ van de Raad van State, die gisteren naar de Eerste Kamer is gestuurd. Volgens staatssecretaris Nicolaï (Europese Zaken, VVD), een van de ondertekenaars van het document, is het doel tweeledig: te zorgen dat de Nederlandse premier een sterkere positie heeft in vergaderingen van Europese staats- en regeringsleiders én ervoor te zorgen dat de Europese politiek een grotere plaats krijgt in de Nederlandse politieke besluitvorming.

De Raad van State had tevens geopperd om vakministers zelf verantwoordelijk te maken voor de coördinatie van Europees beleid op hun terrein, maar het kabinet wijst dat af. De minister van Buitenlandse Zaken blijft coördinator van al het Europees beleid voor andere ministers.

Evenmin zal in de toekomst een staatssecretaris of minister van Europese zaken bij het ministerie van Algemene Zaken (van de premier) worden ondergebracht. Volgens ingewijden heeft minister Bot (Buitenlandse Zaken, CDA) zich in het kabinet sterk verzet tegen zo’n ‘verhuizing’. Premier Balkenende zou er niet sterk op hebben aangedrongen.

    • Raymond van den Boogaard