Hoge Raad blunderde bij uitspraak in 2005

De Hoge Raad verklaarde in 2005 een naturalisatiebesluit over een Irakees gezin nietig.

Daarmee heeft de Raad geen dienst bewezen aan onze rechtsstaat.

Op 11 november 2005 heeft de Hoge Raad verklaard dat geen rechtsgevolgen kunnen worden verbonden aan het Koninklijk Besluit van 6 november 1997, waarbij aan een Irakees gezin het Nederlanderschap was verleend. Het gezin had niet de juiste namen opgegeven. Het besluit identificeert de betrokkenen daardoor niet, zegt de Hoge Raad.

Daaraan wordt toegevoegd dat de redenering dat de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie het besluit had moeten intrekken, niet opgaat. Want dat had alleen gekund als de Irakezen het Nederlanderschap daadwerkelijk via het Besluit hadden verkregen. En door de verkeerde personalia is dat nu juist niet het geval, aldus de Hoge Raad. Deze redenering acht ik een staatsrechtelijke blunder van de eerste orde.

Het gaat hier om het verschil tussen, aan de ene kant, het intrekken van een besluit en, aan de andere kant, het verklaren dat een besluit nooit rechtsgevolgen heeft gehad. Intrekking is zelf weer een besluit, waarbij de rechter kan worden ingeschakeld. Het tweede is dat niet: het gaat om een constatering die niet rechterlijk kan worden getoetst.

We hebben de gevolgen allemaal kunnen zien. Een minister die niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor een zelfgenomen besluit. Het parlement kan nauwelijks iets doen omdat de Hoge Raad serieus moet worden genomen. De betrokkenen – de Irakese gezinsleden – kunnen niets meer doen omdat hun te verstaan is gegeven dat ze niet kunnen worden geïdentificeerd.

Die laatste denkfout kom ik steeds vaker tegen. Zodra we de administratie overlaten aan automaten ontstaan situaties waar personen niet of onjuist kunnen worden geïdentificeerd. Zo’n toestand is problematisch omdat het kostbaar, bewerkelijk en soms zelfs moeilijk is om de administratieve fout te beoordelen en eventueel te corrigeren.

De Hoge Raad geeft blijk van een onbegrijpelijke opvatting over de betekenis van begrippen als identiteit en identificatie bij naturalisatie. Hij verwijst daarbij naar de Handleiding op de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap, uit 2003. Die zegt: „Het is voorgekomen dat met gebruikmaking van valse of (gedeeltelijk) fictieve personalia een verzoek om naturalisatie is ingediend waardoor in het koninklijk besluit tot verlening van het Nederlanderschap valse personalia werden opgenomen. Vanzelfsprekend is dit een vorm van frauduleus handelen.”

De Hoge Raad lijkt dit klakkeloos over te nemen en het verstand op nul te zetten. De Irakezen hadden immers reeds in 1992 hun ware namen opgegeven aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Er was gedurende de gehele procedure geen sprake van ook maar iets dat leek op ‘mistaken identity’, laat staan op frauduleus handelen.

Over rechtszekerheid gesproken: het gevolg is nu dat al die Nederlanders, die hun precieze geboortedatum niet kenden bij hun naturalisatieverzoek – en er dus een slag naar sloegen – nooit Nederlander zijn geworden en moeten afwachten wat de minister daarover zal constateren.

Maar er is nog iets veel ernstigers aan de hand. Het zonder rechtsgevolg verklaren van een naturalisatiebesluit is functioneel gelijk aan nietigverklaring. Nu is een Koninklijk Besluit een vorm van wetgeving die door een rechter pas als laatste redmiddel nietig zou moeten worden verklaard omdat we een rechtsstaat hebben die berust op scheiding der machten. Het zou dan ook meer voor de hand hebben gelegen wanneer de Hoge Raad de machtenscheiding serieus had genomen en over eerdergenoemde Irakezen zou hebben beslist dat het Nederlanderschap wél was verleend.

Als de Hoge Raad niet aan het Besluit had getornd, was de minister vrij geweest om alsnog tot intrekking over te gaan wanneer er écht iets aan de knikker zou zijn met de naturalisatieaanvraag.

Maar nee, de Hoge Raad schiep in zijn arrest voor de minister de mogelijkheid om – ook in de toekomst – domweg te constateren dat eerder door diezelfde minister verleende Koninklijke Besluiten zonder rechtsgevolg zijn, bijvoorbeeld wanneer de minister ook niet zou begrijpen wat identiteit en identificatie betekenen.

Als de minister een aanvraag intrekt, kan een conflict daarover door een rechter worden beslecht. Intrekking is immers een besluit dat moet worden gemotiveerd en waartegen beroep mogelijk is. Als echter wordt geconstateerd dat het naturalisatiebesluit geen rechtgevolgen heeft, is beroep onmogelijk. De Hoge Raad verhindert zo elke nieuwe inbreng door de rechtspraak over de juridische betekenis van identiteit bij naturalisatie. En dat is kwalijk, omdat juist bij naturalisatie na asielverlening talloze bijzondere en individuele belangen kunnen spelen rond de identiteit van de betrokkenen.

Het gevoel resteert dat onze Hoge Raad met zijn uitspraak uit 2005 de voor zichzelf op het eerste gezicht gemakkelijkste weg heeft gekozen en onze rechtsstaat daarmee geen dienst heeft bewezen. Gelukkig maar dat ons parlement de moed heeft gehad om niet alleen de minister, maar indirect ook de Hoge Raad per motie te corrigeren. En dat is geen staatsrechtelijke blunder, want het gaat hier in de kern om regelgeving en daarover gaat het parlement.

Aernout Schmidt is hoogleraar Recht en Informatica aan de universiteit van Leiden.