Het demonische wordt tastbaar

Armando: ‘Boot 12-4-05’ (2005, olieverf op doek 100 x 250 cm)

Tentoonstelling: Armando, 1952-2005. T/m 5 juni in het Cobramuseum, Sandbergplein 1, Amstelveen. Di t/m zo 11-17u. Inl.: 020-547 5050 of www.cobra-museum.nl.

Weet waar u aan begint als u naar de oeuvretentoonstelling van Armando gaat. Je bent koud binnen als de tweede zin in de zaaltekst al rept over concentratiekampen. De diepzwarte kunstwerken eromheen – sculpturen, een enkele foto en vooral heel veel grote schilderijen – doen eventuele hoop op lichtpuntjes verdwijnen.

Al ruim een halve eeuw werkt Armando (Herman Dirk van Dodeweerd, Amsterdam, 1929) aan een consistent oeuvre dat zijn donkere blik op de wereld verbeeldt, en waarmee hij intussen een van de bekendste naoorlogse schilders in Nederland is geworden. Hoog tijd voor een groot eerbetoon, vond het Cobramuseum in Amstelveen.

„Schoonheid is niet pluis”, zegt Armando in de documentaire die in het auditorium draait. Sinds hij als kind in de oorlog de kampen aanschouwde nabij Amersfoort, waar hij opgroeide, is hij overtuigd van de weerzinwekkendheid van de mens. De keerzijde van schoonheid bezweert hij door het kwaad tot kunst te transformeren. Dat doet hij met een zeer fysieke benadering, die een erfenis lijkt te zijn uit zijn jonge Art Brut jaren. Hij gebruikt geen kwast maar een mes om zijn doeken mee te besmeren en voor zijn zwarte sculpturen duwt en bokst hij hompen klei in elkaar. Of hij nu prikkeldraad over canvas spant, ‘Gefechtsfelde’ schildert, of zwarte koppen die bloed spugen, de tentoonstelling in het Cobramuseum laat zien hoe hij het demonische al jaren een tastbare lijfelijkheid geeft.

Tegenwoordig is Armando bekend om zijn zwaarmoedige kunst, maar in de jaren vijftig was hij meer een kwajongen die lekker lelijk wilde schilderen om tegen wat schenen te schoppen. De tijdgeest die Piet Ouborg en Cobra ertoe bracht om abstract te schilderen vanuit een gevoel van herwonnen vrijheid, beïnvloedde hem ook. Alleen was hij net iets recalcitranter. Zijn Peintures criminelles uit die jaren hebben als enige in de tentoonstelling nog een toefje zachte kleur. Maar die paar bleekroze vlekjes in zijn palet zouden gauw plaatsmaken voor het zwart dat hij gedoseerd afwisselt met wit of rood. Contrast levert meer drama op. De kunstcollectieven zou hij in de jaren zestig de rug toekeren om als solist zijn eigen weg te banen en de eenzaamheid tot kunst te verheffen.

Als tentoonstellingsmaker kun je met Armando vele kanten uit. Hij heeft geschreven, getekend, gefotografeerd, films en televisie gemaakt, maar het Cobramuseum schuift die uitingen in wat hoekjes om zijn schilderkunst alle ruimte te geven. Dat is een goede keuze. Je zou kunnen zeggen dat het geen recht doet aan de veelzijdigheid van de man, maar laten we wel zijn, het ultieme nihilisme is toch de kern van zijn werk en dat komt zeer overtuigend naar voren. Deze monomane opstelling vol zwarte doeken geeft het beeld van een kunstenaar die, bezeten van het kwaad, alle relativering weigert. Zijn tentoonstelling is een kosmisch zwart gat waarin alle licht en hoop worden vernietigd.

Maar dan. In het laatste hoekje gebeurt iets wat niemand had kunnen verwachten: vorig jaar is Armando kleur gaan gebruiken. Groene weides en blauwe zee is hij gaan schilderen. Hij snapt het zelf ook niet. De beste zijn die werken waar het stormt op zee of hoost over de glooiende heuvels. In die dreigende luchten is zijn turbulente verftoets net zo weerbarstig als de zwarte en bloederige korsten waar hij zijn canvas al decennia mee opscheept. Een enkel doek is wat flets – het zou ook gek zijn als groen gras ineens zijn ding zou blijken te zijn – maar de meeste sprankelen. Al kan dat ook komen doordat je snakt naar iets van een zonnestraaltje na zo’n tentoonstelling. Te veel Armando is niet goed voor de mens.

    • Sandra Smets