Hé mama: zonder handen!

Zouden ze het nog kunnen bij het Eurovisie Songfestival in 2007? In 1974 won de Zweedse groep ABBA het concours met Waterloo, compleet met kostuums en een dirigent die verkleed was als Napoleon. Yep, een dirigent. Want de hele uitvoering was live: de zang en de begeleiding. Er waren nog geen of nauwelijks digitale foefjes. De versterking, de monitoring, het doorprikken van de eindmix naar zaal en huiskamer, alles ging met analoge technologie. Zonder mengpanelen die een vooraf geprogrammeerde stand konden onthouden. Het gebeurde met technici die de kunst zelf nog beheersten. En met een orkest dat met verschillende dirigenten een baaierd aan stijlen beheerste. Dat alles voor meer dan twintig liedjes, kort op elkaar. Onderschat het niet: dat waren huzarenstukjes.

Als er iets mis is met het moderne Songfestival, dat afgelopen zaterdag een nieuw dieptepunt bereikte, is het niet dat alle landen nu in het Engels mogen zingen, of dat Balkanministaatjes elkaar de punten toe zouden spelen. Wat er mis is, is dat het festival sinds een jaar of tien niet langer live is. Maar er wordt toch echt gezongen? Ja. Er wordt echt gezongen. Door de leidende zanger of zangeres. De rest is nep. Alle muziek, of wat daar voor doorgaat, staat op een digitaal bestand dat wordt afgespeeld. Dat is in de regel inclusief de achtergrondstemmen, zodat niet al te sterke zangers of zangeressen keurig in een vocaal cordon door hun performance worden gesleurd. Veel artiesten die het wel van hun zang moesten hebben, zoals de ongelukkige Franse zangeres Virginie Pouchin, zongen zaterdag bijna een kwarttoon te hoog en de Roemeense inzending zat er juist voortdurend onder. Zoveel vocale incompetentie op één avond is onwaarschijnlijk: aannemelijker is dat de monitoring op het podium zo beroerd was dat de (echte) artiesten de muziek noch zichzelf goed hoorden.

Het weinige dat al echt was werd zaterdag volkomen weggedrukt door door een schaamteloze golf van onwaarachtigheid. Violisten die een gesampelde panfluit voortbrengen, balalaika’s die klinken als een gitaar uit een doosje. Dansende achtergrondzangeressen met zo’n zijwaarts microfoontje voor hun mond, maar zonder bijbehorend zendertje.

De lijst is lang, en het resultaat voorspelbaar. Hoe minder compositie, uitvoering en muzikaal talent er toe doen, hoe belangrijker de vorm wordt, tot die uiteindelijk volledig overheerst. Dat vijf Finse reptielen er met de buit vandoor gingen is het onontkoombare resultaat. De trommels van de falende Nederlandse inzending Treble zijn even symbolisch, want de djembe is de luchtgitaar onder het slagwerk, en past dus geheel in deze tijd: al bij weinig oefenen een indrukwekkend resultaat. Konden de meisjes nou drummen of niet? Het doet er niet toe.

Afgezien van de vraag of het Songfestival überhaupt gered dient te worden, is de enige weg de weg terug. Live, en dan wel helemáál live. Die kunst is niet verloren gegaan. In Nederland zijn er zat televisieprogramma’s geweest waar uitstekende, goed uitgebalanceerde bands live voor de begeleiding zorgden. Zoals de groep van Cor Bakker bij Paul de Leeuw, die van Jan Rietman bij Het gevoel van... of recent nog Jochem Fluitsma bij Idols, om er maar een paar te noemen. En wie vorig jaar tijdens North Sea Jazz het Metropole-orkest de soulzangeres Chaka Khan zag begeleiden, weet dat een goed orkest alle genres aankan.

Maar ja: live is duur, is ingewikkeld en riskant. En risico’s lopen doen we niet graag meer, al helemaal niet in de televisiewereld. Het alternatief is een festival waarbij de vorm nog verder uit de hand loopt. Het wachten is op de eerste blote Balkanborst, ergens rond 2010. Hé Janet Jackson: eat your heart out.

    • Maarten Schinkel