Gul

Een beetje gehaast bestel ik een cappuccino in de restauratie op het perron. Ik heb een hoop kleingeld bij me en stort het op de toonbank. De aardige caissière begint het geld te tellen. Het blijkt iets teveel te zijn. „Hou maar”, zeg ik. Het meisje kijkt me dankbaar aan en ik ga in de trein zitten.

Dan schrik ik. Ik heb mijn waterlelie met vaasje, bestemd voor een vriendin, bij de kassa laten staan. Snel stap ik de trein weer uit. Ik zie de bloem nergens en vraag het aan het meisje dat me net heeft geholpen. Met een verbaasde blik loopt ze naar achteren en komt terug met mijn in cellofaan verpakte kleinood. Beteuterd zegt ze: „U zei toch: hou maar?”

    • Robert van Heijst