Een verhaal ombuigen

Illustrator Marit Törnqvist wil niet over de grenzen van kinderen heen gaan.

„In Nederland bestaat een gigantische angst voor gezelligheid, voor tuttigheid.”

Illustraties door Marit Törnqvist uit het boek Pikkuhenki van Toon Tellegen, 2005 Törnqvist, Marit

Gouden Penseel-winnares Marit Törnqvist (Upsalla, 1964) holde eergisteren nog achter een ontsnapt konijn aan en stond even later oog in oog met een eland. Nu serveert ze kaneelbroodjes in haar keuken aan de Leliegracht in Amsterdam. Vanmiddag vertrekt ze weer naar het gehucht Öbeshög. „Voor werkende moeders is Zweden het walhalla.”

Als Törnqvist in haar kleine, Zweedse boerderij weken achtereen werken wil, gaan haar dochters van 5 en 9 jaar naar „een soort Être et avoir-schooltje”. „Om half acht ’s ochtends rijdt de schoolbus voor. Tussen de middag eten de kinderen warm. Met de naschoolse opvang bakken ze brood of hollen ze door het bos. De bus brengt ze dan weer terug, tot aan de bosrand.” Marit Törnqvist, die de gewoonte heeft „de hele dag te veel indrukken op te zuigen” en wier hoofd ,,altijd vol, zo vol zit” kan in Zweden in alle rust schilderen en gedachten afmaken.

Tot haar vijfde woonde Marit Törnqvist – dochter van een Zweedse vader en een Nederlandse moeder – in Zweden. Haar hele jeugd bleef het gezin vaak terugkeren naar hun boerderij in het zuiden van Zweden. Haar moeder, Rita Verschuur, was de vaste vertaalster van de boeken van Astrid Lindgren. De wereldberoemde kinderboekenschrijfster kwam regelmatig bij de Törnqvists over de vloer. „Ik herinner me een groot moment. Wij kinderen waren iets heel gevaarlijks aan het doen in de schuur van de buren. We sprongen van de nok in het dak af, in het hooi. Toen kwam Astrid Lindgren binnen. Foute boel, dachten wij, een volwassene.” Maar Lindgren, die toen 65 jaar was, klom de ladder op en sprong de rest van de middag met de kinderen mee.

Na haar studie aan de Rietveldacademie illustreerde Törnqvist twee boeken van Lindgren: Een kalf valt uit de hemel en Kalle de kleine stierenvechter. Dat leverde haar in Zweden „zo’n hausse aan publiciteit” op, dat het haar beter leek dat maar even niet meer te doen. „Het ging niet om mij, het ging om haar.” Gisteren ontving Marit Törnqvist de Gouden Penseel voor Pikkuhenki van Toon Tellegen.

Moet ik dit boek wel illustreren? Törnqvist had er een paar weken over na moeten denken. Pikkuhenki is een heks die zó klein is dat ze onder een zandkorrel woont en die – door in de gedachten van mensen en dieren te kruipen – wil uitproberen hoe ver haar macht reikt. „Toon schrijft het lichtvoetig op, maar het is een luguber verhaal.” Haar dochter kreeg er nachtmerries van. Al was dat wel de schuld van Törnqvist zelf. Toen het meisje een keer vervelend zat te doen, had ze gezegd: „Het lijkt wel alsof Pikkuhenki in je hoofd zit.”.

Maar het verhaal van Toon Tellegen gaf haar ook „een waanzinnige veelheid aan beelden”. Tellegen zelf gaf haar een grote vrijheid, en van de de uitgeverij mocht ze er twee jaar over doen. „Dan moeten die ouders maar praten met hun bange kind”, bedacht ze. Ze zou het boek illustreren. „Op één voorwaarde: dat ik Pikkuhenki niet hoefde te tekenen.” Hoe zou je dat ook moeten doen: een heks tekenen die op een bezemsteel vliegt die zelfs onder het sterkste vergrootglas niet te zien is. „Dat zou toch flauwekul worden.”

De grens tussen wat kinderen wel en niet kunnen behappen is ,,een moeilijk hoofdstuk”, zegt Törnqvist. Zo is haar Klein verhaal over de liefde (1996), waar ze zelf de tekst voor schreef en waarvoor ze een Zilveren Griffel kreeg eigenlijk helemaal geen kinderboek. Een meisje – dat uiterlijk een beetje lijkt op Törnqvist – zit op een paal in zee. Dag en nacht, in weer en wind. Ze ziet een heleboel boten voorbij komen. Op een dag komt er een boot met een man die naar haar lacht, maar hij vaart ook weer weg. Vanaf dat moment wordt het meisje verteerd door verlangen. „Dat was eerder een dagboek dat ik voor mezelf heb geschreven.” Al heeft ze wel kinderen ontmoet die juist van dat boek geen genoeg konden krijgen.

Törnqvist wil met haar illustraties ,,een verhaal ombuigen”, „leemtes in de tekst opvullen”, „een gemoedstoestand overbrengen”. Ze wil ook nog wel „de verbeelding van kinderen oprekken”. Maar wat ze niet wil: de grenzen van kinderen overgaan. „Ik heb niets tegen vormexperimenten, als het maar niet ten koste van de inhoud gaat. Er wordt de laatste tijd veel gemaakt waarvan ik denk: angst. In Nederland bestaat een gigantische angst voor alleen al de neiging naar zachtheid, gezelligheid, oubolligheid. We willen allemaal kunstenaar zijn en serieus genomen worden. Maar een illustrator kan wel iets heel esthetisch en spectaculairs bedenken, een kind moet wel het gevoel hebben: dit is mijn wereld.”

    • Monique Snoeijen