Bang voor pleegkinderen?

Pleegouders krijgen een vaste vergoeding en er zijn genoeg pleegzorgbegeleiders.

Eén probleem resteert: veel te weinig mensen willen pleegouder worden.

Onder de slogan ‘Wij zoeken nog een hart met wat ruimte’ is Pleegzorg Nederland onlangs een campagne begonnen om nieuwe pleeggezinnen te werven. Nu het kabinet geld uitgetrokken heeft om de wachtlijsten in de pleegzorg weg te werken, is het probleem niet langer dat de vastgestelde pleegzorgvergoedingen aan pleegouders niet uitbetaald kunnen worden, of dat er niet genoeg pleegzorgwerkers aangesteld kunnen worden om hen te begeleiden. Het enige probleem is dat er veel te weinig mensen pleegouder willen worden. Zo’n duizend kinderen wachten momenteel op de mogelijkheid geplaatst te worden in een passend pleeggezin. Ondertussen neemt de animo om pleegouder te worden in Nederland steeds verder af. De wachtende kinderen zitten dus in de knel.

Iedereen herinnert zich nog wel de commotie nadat het meisje Savanna uit Alphen aan den Rijn dood in een kofferbak was aangetroffen. Ze bleek te zijn overleden aan de gevolgen van mishandeling. Naderhand werd duidelijk dat veel te lang getalmd was om haar wel of niet weghalen uit haar ouderlijk huis. Vraag is echter waar Savanna heen had gemoeten. Er zijn veel te weinig gezinnen om alle Savanna’s op te vangen. Wij vermoeden dat dat mede komt doordat rondom pleegzorg nogal wat misverstanden leven. We stippen er enkele aan:

1Je kunt van een pleegkind nooit zoveel houden als van een eigen kind. Deze gedachte lijkt veel mensen intuïtief van pleegzorg te weerhouden. Toch is het ‘vreemde’ van een pleegkind in de praktijk vaak snel verleden tijd. Ook dan houden pleegouders doorgaans inderdaad niet op dezelfde manier van hun pleegkind als van hun eigen kind. Maar dat is niet verwonderlijk: ook van eigen kinderen houden ouders niet op dezelfde manier. Ieder kind is nu eenmaal uniek. En je houdt van kinderen, ook van pleegkinderen, op de wijze die bij elk van hen past.

2Een pleegkind kan je door de instanties zomaar worden ontnomen. Veel kinderen worden ‘perspectiefbiedend’ geplaatst. Het is dan vrijwel zeker dat zij tot aan hun volwassenheid in hun pleeggezin blijven wonen. Soms kunnen de natuurlijke ouders van het pleegkind hun leven echter weer op orde krijgen, en daardoor weer zelf voor hun kind zorgen. In dat geval kan de prijs van het afscheid weliswaar hoog zijn, maar niet onverdraaglijk. Behalve aan perspectiefbiedende zorg is er ook veel behoefte aan mensen die voor kortere tijd – enkele maanden of jaren – pleegzorg willen bieden. Ook dan is afscheid nemen vaak heel lastig. Maar men is er dan wel op ingesteld.

3Wie een pleegkind opneemt, krijgt de narigheid van diens thuissituatie erbij. Voor een uithuisplaatsing is inderdaad altijd een aanleiding waar je niet vrolijk van wordt. Maar dat kan geen reden zijn om weg te kijken. Het kind is er immers de dupe van. Natuurlijke ouders mogen soms boos zijn op jeugdzorginstanties vanwege de uithuisplaatsing van hun kind; degenen die hun kinderen opvangen zijn ze doorgaans juist dankbaar. Ook krijgen pleegouders meer inzicht in de tragiek die vaak schuilt achter het gedrag van de natuurlijke ouders. Dat stimuleert weer om hen te helpen.

4 Je kunt beter een kind adopteren want een pleegkind wordt nooit van jezelf. Vele ouders lijken inderdaad adoptie te verkiezen boven pleegzorg. Op zichzelf kan dat legitiem zijn, alleen niet om bovengenoemde reden. Een kind is immers niet ons eigendom, maar ‘leengoed’ dat ons wordt toevertrouwd. Onze kinderen zijn in die zin nooit ‘van onszelf’. Niet alleen bij pleegkinderen, ook bij adoptiekinderen blijft bovendien de relatie tot de natuurlijke ouders een rol spelen. Toch is bij adoptie het aanbod aan vervangende ouders vaak groter dan bij pleegzorg. Maar ook pleegkinderen hebben heel hard ouderlijke zorg en aandacht nodig. Pleegouders kunnen hen op alle terreinen des levens bagage meegeven die hen levenslang ten goede kan komen.

5 Ons gezin is niet geschikt om pleeggezin te worden. Dat kan natuurlijk zo zijn, en dan moet men dat ook nuchter durven vaststellen. Echter, er worden geen perfecte gezinnen gevraagd. Er worden gezinnen gevraagd waar, naast liefde en aandacht voor elkaar, nog ruimte is in hart en huis voor een extra kind. Sommige (aspirant-)ouders kampen met een laag zelfbeeld, ook ten aanzien van hun functioneren als gezin, dat objectief soms minder slecht functioneert dan ze geneigd zijn te denken. Mogelijk zijn ze wel degelijk ‘geschikt’. Wie twijfelt, kan zich in elk geval met een gerust hart bij Pleegzorg aanmelden. De selectieprocedures zijn zorgvuldig genoeg om duidelijkheid te verkrijgen.

In de praktijk blijkt dat aspirant-pleegouders gemiddeld zo’n anderhalf jaar nodig hebben voordat ze besluiten over te gaan tot daadwerkelijke aanmelding. Hopelijk kunnen bovenstaande overwegingen aan dit proces bijdragen.

Hijltje Vink is moeder van zeven pleegkinderen, Gijsbert van den Brink vader van een pleegzoon.

    • Hijltje Vink
    • Gijsbert van den Brink