Tigray Boys

De Ethiopische wielerfederatie heeft een belangrijke doelstelling geformuleerd: deelname aan de Olympische Spelen van 2008 in Peking. Dit is geen mis te verstaan doel. Het handjevol wielrenners dat er is koerst nauwelijks buiten de landsgrenzen, en binnen de verschillende regio’s (waar het eigenlijke wielerleven zich afspeelt) varieert het aantal wedstrijden van nul tot twintig. Gebrek aan geld, koerskledij, en materiaal is structureel, met uitzondering van de noordelijke regio Tigray waar men op één of andere manier middelen heeft weten te genereren.

De coureurs van Tigray hebben een klein salaris, ze bezitten een redelijk moderne Italiaanse racefiets, en kunnen zich af en toe een continentale wedstrijd permitteren. Coureurs uit de andere regio’s bezitten geen fiets, maar krijgen een twintig jaar oud (of nog ouder) exemplaar ter beschikking voor de wedstrijden, die ze meteen daarna weer moeten inleveren. Trainen doen ze op goedkope uit China geïmporteerde mountainbikes, en als die er niet zijn, wordt er niet getraind. Talent is dan weer gelijkmatig over het land verdeeld. Ik heb sterk de indruk dat het talent voor duursport dat van de beroemde lange afstandlopers evenaart.

Vorig jaar oktober was ik al in Ethiopië om de nationale wielerselectie te trainen. Dit na een hartverscheurende oproep van de wielerbond. Nu ben ik weer ingevlogen om op verzoek aan de verheven doelstelling te komen werken. Heb ik zelf een doelstelling? Ja, die heb ik. Als de Olympiade van 2008 niet haalbaar is, dan is die van 2012 het misschien wel. Belangrijk is het dat de coureurs vooruit willen, en dat willen ze – even hartstochtelijk als dat de wielerfederatie het wil. Ik klim zelf op de fiets, en ik laat theoretische kennis achter (tools, zoals het zo treffend wordt genoemd) want de onbezoldigde moet toch een keer terug naar zijn eigen land. Het trainingskamp is opgeslagen in Awasa, driehonderd kilometer zuidelijk van Addis Abeba. De temperatuur is moordend te noemen.

Er wordt niet alleen getraind. Vandaag werd een boreling ten doop gehouden, de klassieker Awasa-Awasa, zeventig kilometer heen over de lange winderige weg met veel ‘vals plat’ richting Addis, en zeventig kilometer terug. Alles op een hoogte tussen de 1.600 en 2.000 meter boven zeespiegel, van een overdaad aan zuurstof kon dus geen sprake zijn. Na twintig kilometer viel de beslissing. Het mocht geen verwondering wekken dat de tien Tigray Boys in de kopgroep van twaalf vertegenwoordigd waren.

Ik zat in de eerste auto van de koers, en kweet me van de verantwoordelijke taak de tegemoetkomende trucks, bussen en ezelskarren te waarschuwen door het zwaaien met een rood vlaggetje – een lapje stof dat tien minuten voor de koers nog snel met een steen op een afgebroken tak werd gespijkerd.

Een aantal hachelijke situaties kon helaas niet worden voorkomen. Overstekende koeien, geiten, ezels en hun hoeders anticipeerden echter uitstekend op die vreemde, kromgebogen wezens op racefietsen. Ze bleven roerloos op het wegdek staan om de slalom te vergemakkelijken. Dat de winnaar er toch nog een gemiddelde van 43 kilometer per uur uit wist te persen, kan als beste bewijs worden aangevoerd dat in Ethiopië wielertalent voorradig is.