Stalen vuist en rappe hand

In Leidschendam op de lagere school, zoals de basisschool toen nog heette, brachten wij kinderen tijdens zangles met de hele klas de oud-vaderlandse liedjes ten gehore. Uit volle borst:

Alle man van Neêrlands stam

Voelen zich der vaad’ren zonen

Willen vrij op ’t plekje wonen...

Het is lang geleden, maar toch nog geen halve eeuw. Ik kan mij niet herinneren het als meisje raar te hebben gevonden zelf geen lid te zijn van de bezongen Nederlandse stam omdat ik nu eenmaal geen zoon der vaad’ren ben. Dat inzicht kwam pas later, toen ik verzeild raakte in de Amsterdamse studentenbeweging waar het internationalisme werd beleden en ook het feminisme weer opgang begon te maken. Wist ik als kind veel naar welk plekje al die vaad’ren en zonen altijd maar op zoek zijn? Enfin, het lied vervolgt:

... op ’t plekje wonen

Dat hun tot een erfdeel kwam

Eigen meester, niemands knecht

Recht en slecht

Zo zongen wij dus over onze stam waarvan geen enkele antropoloog het bestaan ooit heeft kunnen vaststellen en die alleen voortleeft in de titel van het nog altijd lezenswaardige hoofdwerk van de historicus P. Geyl Geschiedenis van de Nederlandse stam uit 1930. Dat begint zo: „Ik wil beproeven de geschiedenis van de Nederlandse stam te schetsen. Onder de Nederlandse stam versta ik alle volken en volksgroepen voor wie het Nederlands de moedertaal is.” Dat is in ieder geval een soort definitie. Geyl was voorstander van de Groot-Nederlandse gedachte, ook Vlaamse vaad’ren en zonen horen erbij.

Moedertaal, vaderland ... begrippen om over door te denken.

Nu heeft het liedje, dat mij natuurlijk niet toevallig vorige week door het hoofd ging spelen, met de geschiedenis van een ‘stam’ niets te maken, het is ongetwijfeld 19de-eeuwse propaganda voor de natiestaat en heeft dus meer van doen met nationalisme dan met Germaanse sibbenkunde. Hoe dan ook gaat het over de vraag: wie horen erbij en wie worden uitgesloten? Vrouwen, mensen die niet het Nederlands als moedertaal hebben, lieden aan wie het erfdeel niet toevalt, maken geen deel uit van dit uitverkoren volk. Let ook op de loyaliteitskwestie: recht en slecht, right or wrong my country, eigen volk eerst en hou zee!

Deze moraal, gepaard aan een nostalgisch sentiment, appelleert aan een primitief stamgevoel en kan in tijden van onzekerheid en maatschappelijk onbehagen tamelijk eenvoudig worden geëxploiteerd door volkse demagogen. De belofte van houvast en geborgenheid speculeert op het verlangen naar vroeger (toen de euro nog een gulden was en Nederland nog blank) en naar een herstel van nationale trots.

Stalen vuist en rappe hand

Zo is ’t volk van Nederland

De stalen vuist is in deze context onmisbaar. Kenmerkend voor het tribale denken is niet alleen een verheerlijking van de eigen groep. Er hoort ook bij dat die groep zich vastklampt aan onveranderlijke, eeuwige ‘wetten’, die geen uitleg maar slechts naleving behoeven. Rigiditeit en de koestering van versteende taboes gaan dan ook samen met een beroep op blinde autoriteit. De gezagsdrager hoeft in dit denkkader geen rationele beoordeling te geven of een persoonlijke verantwoordelijkheid te dragen. De autoriteit is niets dan een bezield instrument van een hogere macht, die ooit de stam of de natie heeft gevormd en geleid.

Al deze kenmerken komen samen in de persoon van minister Verdonk die zich in de kwestie rond de nationaliteit van Ayaan Hirsi Ali aanvankelijk niet alleen opstelde als wetspositivistische bouche de la loi maar vooral ook als de hogepriesteres van de Orde. Hoe eigenmachtig en willekeurig haar interpretatie van de wet ook moge zijn, de wet is de wet, en Ordnung muss sein.

Wij zijn getuige van een gedeeltelijke terugval in een Nederlandse vorm van tribalisme, die kan worden verklaard uit de angst voor globalisering en Europese eenwording – zie de uitkomst van het referendum over het Europese grondwetsverdrag – en als primaire reactie op het tribalisme uit den vreemde: de immigratie van mensen uit culturen die hun identiteit ontlenen aan de overgeleverde gebruiken en de gezagsverhoudingen van stammen en clans.

Vandaar dat Hirsi Ali bij haar gedwongen aftreden als lid van de Tweede Kamer een fijne ironie tentoonspreidde toen zij haar naam opgaf in de vorm van een oudtestamentisch geslachtsregister. „Ik ben van deze clan.” Haar voornaamste bijdrage aan de meningsvorming is geweest dat zij – zelf ooit onderworpen aan de onderdrukkende consequenties van de meest extreme clangeest – een verband legt tussen de tribale culturen en de islam, tussen de praktijk van onderwerping en mishandeling van vrouwen en het religieuze denken waarin de bedrijvers van deze praktijk hun rechtvaardiging zoeken. Deze gelovigen verwarren, van Afghanistan tot in de Tahweedmoskee, hun geloof met de tribale tradities.

Anders dan haar tegenstanders betogen, heeft Hirsi Ali geen lans gebroken voor de vernietiging van de islam, maar na haar eigen emancipatie als individu een pleidooi gehouden voor de emancipatie van de islam die zij bestrijdt als onderdrukkend regelsysteem van de stam.

Rechten van het individu en humane rechtstoepassing zijn niet verenigbaar met een niet onderhandelbaar geheel van taboes en godsdienstige ‘wetten’. Maar dat zegt niets over een geloof als zodanig. Het christendom heeft zich in sommige opzichten geëmancipeerd van het stamdenken waar het oorspronkelijk uit is voortgekomen door ruimte te scheppen voor het individuele geweten. Uiteraard nemen ook verlichte moslims persoonlijke verantwoordelijkheid voor de manier waarop zij leven.

Minister Verdonk toont zich in haar rigide denken meer verwant met de ayatollahs dan met het liberalisme, omdat zij met een beroep op de onwrikbare Orde in staat blijkt te zijn het persoonlijke en sociale geweten uit te schakelen. Helaas verklaart dit haar populariteit bij een deel van het volk dat niet minder dan islamitische fundamentalisten snakt naar het onveranderlijk eigene.

Zo zal ’t zijn door d’ eeuwen heen:

Vrije Friezen, ronde Zeeuwen

Gelres helden, Hollands leeuwen

Eén voor allen, allen één!

Wat doen die bruine jongens, minus Kalou, eigenlijk nog in het Nederlands elftal?

    • Elsbeth Etty