Een strijkijzer uit de glorietijd

Architectuur is niet anders dan andere moderne kunsten: originaliteit wordt hogelijk op prijs gesteld. In het derde deel van een serie de nieuwe toren van Jo Coenen aan de Smalle Haven in Eindhoven.

De mooiste wolkenkrabbers stammen uit het tijdperk waarin ornamenten nog niet verboden waren. „It must be in every inch a proud and soaring thing”, zei Louis H. Sullivan, de Amerikaanse wolkenkrabberpionier ruim een eeuw geleden over het ‘hoge kantoorgebouw’, toen een nieuw gebouwtype. Sullivan zelf liet in Chicago zien hoe dit moest en bedekte zijn gebouwen daar met bijvoorbeeld plantachtige versieringen, alsof de gevels zijn overwoekerd door een vreemde soort klimop. Andere architecten lieten zien dat vooral de neogotische stijl heel geschikt was om een gebouw te laten soaren, zoals het Woolworth-gebouw van Cass Gilbert in New York uit 1923. Ook art deco bleek in de jaren twintig en dertig een goede stijl om torens te maken: het Chrysler Building, ook in New York, is er het mooiste voorbeeld van.

Maar sinds het ornament voor de meeste architecten taboe is geworden, is het een bijna onmogelijke klus geworden om van hoogbouw ‘een trots en rijzend ding’ te maken. Het modernistische staal, glas en beton heeft na de Tweede Wereldoorlog in ieder geval zelden tot wolkenkrabbers geleid die de naam toren verdienen. Meestal zijn het dozen of balken, mooie balken soms, maar geen torens.

Geen wonder dus dat sommige architecten nu terugverlangen naar de glorietijd van de wolkenkrabber. Zoals Francine Houben van Mecanoo architecten. Zij beweert dat ze bij het ontwerp van het eind vorig jaar opgeleverde Montevideo op de Kop van Zuid in Rotterdam, de hoogste toren van Nederland, teruggreep op „de hoogbouw van New York, Chicago en Boston uit het interbellum, bakstenen gebouwen met een verfijnde detaillering en kleurgebruik, veel dakterrassen en loggia’s.” Helaas is dat toch niet aan Montevideo af te zien. Maar al doet Mecanoo’s woontoren in de verste verte niet aan de neogotische of art deco-torens denken, het gebouw is ieder geval niet de zoveelste wolkenbalk. Het is een collage van vier of vijf verschillende balken.

Veel duidelijker is het citaat dat Jo Coenen gebruikte bij zijn onlangs voltooide kantoor- en woontoren in Eindhoven. Citaat is zelfs wat te zacht uitgedrukt. Iedereen die wel eens in New York is geweest en Coenens toren ziet, denkt onmiddellijk: Flatiron Building. Coenen vond dit beroemde New-Yorkse gebouw blijkbaar zo mooi dat hij het in Eindhoven heeft verdubbeld. Terwijl het New-Yorkse strijkijzer maar één scherpe hoekpunt heeft, heeft de ruitvormige toren aan de Smalle Haven er twee.

De vorm van het New-Yorkse strijkijzer uit 1903, ontworpen door Daniel Burnham, wordt bepaald door de plek waar het staat: op Madison Square, waar de schuinlopende Broadway een zeer scherpe hoek vormt met Fifth Avenue. Ook de Eindhovense toren staat op een smalle kavel aan de Smalle Haven, maar in Eindhoven is het stuk bouwgrond toch minder dwingend dan in New York. Er had ook een ander smal volume kunnen staan, maar Coenen koos heel bewust voor een verdubbeling van het Flatiron-gebouw. Hij volgde zelfs de klassieke driedeling van Burnhams meesterwerk, met een hoge basis met kantoren, een lang middenstuk met eendere etages en een duidelijk afsluitend deel, waar in Eindhoven penthouses met dubbele hoogtes zitten.

Natuurlijk is Coenen niet alleen een architect die bekende voorbeelden zonder schroom hergebruikt, maar ook erfgenaam van de modernistische wolkenkrabberarchitecten. Hij heeft vrijwel afgezien van ornamenten. Maakte Burnham van zijn Flatiron een rijk versierd renaissance-palazzo, de gevels van Coenens strijkijzer bestaan, op een natuurstenen middenstuk na, slechts uit een raster in glas. Maar ondanks de minimalistische karigheid is het Coenen gelukt om een echte toren te maken.

Rectificatie / Gerectificeerd

In het artikel Een strijkijzer uit de glorietijd (23 mei, pagina 22) staat dat het Woolworth-gebouw in New York uit 1923 is. Het werd geopend op 24 april 1913.