Diplomaten kunnen imago niet opvijzelen

Nederlandse diplomaten moeten de imagoschade, opgelopen in de zaak Hirsi Ali, via de media repareren.

Alsof buitenlandse redacties daar op zitten te wachten.

Premier Balkenende zei dat hij zich zorgen maakt over de imagoschade die Nederland oploopt als gevolg van de berichtgeving in de buitenlandse media over de affaire Ayaan Hirsi Ali. Hier ligt volgens hem een belangrijke taak voor Nederlandse ambassadeurs. Die moeten zich actief opstellen om de 'schade te repareren'.

De premier toont er weinig begrip voor hoe de media werken en het lijkt dat hij onrealistische verwachtingen heeft van de Nederlandse diplomatie. Nadat de hele week in Europa over het beschamende schouwspel rond Hirsi Ali is bericht en redactionele commentaren het Nederlandse imago weer een flinke deuk hebben bezorgd, is er geen redactie meer die nog aandacht wil besteden aan dit onderwerp. Iedereen is op de hoogte, alles is al gezegd.

Wel kan worden toegejuicht dat de ambassadeurs blijkbaar meer ruimte krijgen in hun omgang met vertegenwoordigers van de pers. Ze kunnen die extra ruimte best gebruiken. Ze hebben het als officiële woordvoerders met beperkte geloofwaardigheid in de buitenlandse media en publieke opinie al lastig genoeg.

De suggestie dat ambassades de imagoschade in het buitenland wel even kunnen rechtstrijken, getuigt van een gebrek aan inzicht in wat de Nederlandse diplomatie nog kan doen als het leed eenmaal geleden is. Niet alleen veel Nederlanders, maar ook Duitsers, Belgen, Britten, Fransen en Amerikanen zijn goed geïnformeerd over het weinig verheffende gedoe rond een parlementariër die internationale bekendheid en respect geniet. Het is een misverstand te denken dat de Nederlandse diplomatie in een situatie als deze een effectief instrument van crisisbeheersing is. Evenmin is die diplomatie een middel waarmee in de buitenlandse publieke opinie geleden schade eenvoudig kan worden gerepareerd. Het idee dat ambassadeurs geschikt zouden zijn als politieke puinruimers, suggereert dat communicatie met het buitenlandse publiek niet veel meer is dan een 'afterthought'.

Bij de schade die Nederland ondervindt van affaires als die rond Hirsi Ali zijn best relativerende kanttekeningen te plaatsen. Er moet heel wat gebeuren voordat Nederland niet meer wordt gezien als open en vooruitstrevend, een land waarmee het goed zakendoen is. Dat neemt niet weg dat buitenlandse opiniemakers in de afgelopen jaren te vaak zijn geconfronteerd met incidenten en trends in onze samenleving die weinig heel laten van de typisch Nederlandse tolerantie. Dat de premier het handelsmerk van 'Nederland als tolerant land' wil redden, doet de Nederlandse zaak dan ook geen goed. De Europese publieke opinie ziet achter de façade van tolerantie steeds vaker onverschilligheid, of erger. Dat is waarover de lezers van de Financial Times, Le Monde, Die Zeit, El País en de Wall Street Journal een aantal keren hebben kunnen lezen. Als de premier zich hierover zorgen maakt, dan moet hij zich alerter opstellen in een wereld die niet wacht op wekelijkse persconferenties en die geen oor heeft voor diplomatieke acties achteraf. De les van afgelopen week is ook dat de leden van het kabinet zich meer rekenschap zouden kunnen geven van bepaalde effecten in het buitenland van hun doen en laten.

Jan Melissen is hoofd van het Clingendael Diplomatic Studies Programme en hoogleraar diplomatie aan de Universiteit Antwerpen.

    • Jan Melissen