Antillen verdienen steun

Om kippenvel van te krijgen, de standpunten die Frank Bovenkerk met betrekking tot de Antilliaanse criminaliteit en de aanpak ervan lanceert in zijn artikel ‘Stuur de Antilliaanse probleemjongeren terug’ (Opiniepagina, 25 april).

Wel is het terecht dat hij er op wijst dat het onverklaarbaar is dat de politiek ook Aruba bij de aanstaande toelating- en verwijderingsregel betrekt. Maar hoezo spreken we nog over Antillianen? Het is een Curaçaos fenomeen, Curaçao moet aangepakt worden en sturen we ze terug, dan naar Curaçao.

En dan de vergelijking met de Zuid-Amerikaanse ‘jeugdgangs’, de Marabuntas. Kenmerkend voor deze gangs is hun hoge organisatiegraad. Bovenkerk had moeten weten dat veel Curaçaoënaars elkaar onderling wantrouwen en geen eigen verantwoordelijk wensen te dragen vanwege het koloniaal verleden, waar onder andere de slavernij een zeer negatieve stempel op heeft weten te drukken. Vandaar dat ze zich niet kunnen organiseren. Roofovervallen en dergelijke binnen deze groep zijn per definitie ad hoc gebeurtenissen. Bovenkerk, net als Nederlandse politici, tonen terzake een politieke en professionele vooringenomenheid.

Feit is dat het Koninkrijk sinds de ondertekening van het Statuut in 1954 autonome rijksdelen heeft, maar gelijktijdig alle bewoners voor Nederlanders aanziet. Antillianen bestaan alleen in het Koninkrijk, voor de hele wereld zijn het Nederlanders. Maar na de opstand van 30 mei 1969 op Curaçao besloot de Nederlandse politiek zich van de eilanden te ontdoen. Zij moesten (net als Suriname) onafhankelijk worden. Om de bevolking aan dit idee te laten wennen werden Antillianen sinds die tijd hier als een soort buitenlanders behandeld. Vandaar dat ze opgenomen werden in de hoek van ‘niet westerse allochtonen’. Maar omdat de Antillen weigerden onafhankelijk te worden liet de Nederlandse politiek bewust deze eilanden links liggen. Terwijl het Statuut in artikel 42 uitdrukkelijk bepaalt dat de Koninkrijksregering (en dus de Nederlandse regering) deugdelijk bestuur en het behoud van mensenrechten garandeert. Vanuit Nederland zagen we hoe alles daar verloederde en opeenvolgende kabinetten grepen niet in. Nu wordt geoogst wat gezaaid is, namelijk decennialang wanbeleid.

Feit is dat de Antillen en Curaçao geen poging hebben gedaan iets te doen aan ‘natievorming’. Vandaar dat emancipatie nooit enige aandacht heeft gekregen en de bevolking bleef zitten met mentaliteitskenmerken die haar nu parten speelt. Een dergelijke mentaliteit gecombineerd met een langdurige structurele armoede levert criminelen op. Als dan een deel van deze bevolking hier komt wonen en de politiek nalaat maatwerk te leveren en geen enkele aandacht besteedt aan de emancipatie van de groep, dan loopt het hier vanzelfsprekend ook uit de hand.

Het nu gehoorde antwoord: de grenzen sluiten voor kansarme jongeren en ze, als ze hier in de fout gaan, straffen door ze terug te sturen naar de eilanden, is onhaalbaar, zoals oud-minister Van Boxtel al zei: Antillianen zijn Nederlanders.

We zouden ons moeten schamen. Wij met onze welvaart en rijkdom, met al onze wetenschappers en professionals laten openlijk weten deze problematiek niet aan te kunnen. Professor Bovenkerk ook niet. Daarom laten we die probleemjongeren daar of we sturen ze terug. Terwijl we weten in wat voor ellende ze daar moeten leven en dat de politiek daar niets voor elkaar krijgt. Waar blijft de oprechte poging iets aan de problemen te doen? Dus een Koninkrijksaanpak die zowel daar als hier deze bevolkingsgroep eindelijk de middelen beschikbaar stelt om zich te emanciperen, waardoor ze zelf verantwoordelijkheid kan dragen voor de oplossing van de problemen. Een beleid gericht op bestrijding van de armoede die een groot deel van deze Curaçaoënaars in de greep heeft. Een beleid dat er uiteindelijk toe moet leiden dat wij met elkaar trots kunnen zijn Nederlander te zijn.

Drs. J.M.R. Schrils is historicus en directeur van het adviesbureau De Passaat. Hij is afkomstig van de Antillen.

www.nrc.nl/opinieartikel Bovenkerk