Ahold Inc.

Geen Enron, geen Parmalat, wel een aanslag op het vertrouwen van publiek, beleggers en betrokkenen. Geen boekhoudfraude, zoals het in de publiciteit is gaan heten, maar wel valsheid in geschrifte. Geen overtreding van de Nederlandse boekhoudpraktijk, maar wel van de Amerikaanse, die er in dit geval minder toe doet. Wel gevangenisstraf, maar voorwaardelijk.

Het oordeel van de rechter in de strafzaak tegen de voormalige top van het supermarktconcern Ahold leek op het eerste gezicht hard, maar is genuanceerd. Zo genuanceerd dat als de rook is opgetrokken, er veel vragen overblijven. De zaak-Ahold kampt met de onvermijdelijkheid van het toepassen van Nederlands recht in een internationale context – en dat wringt met het rechtsgevoel.

Ahold is een schoolvoorbeeld van een moderne multinational. Het is actief op verscheidene continenten, waaronder Europa en Amerika. De aandelen zijn aan weerszijden van de Atlantische Oceaan aan de beurs genoteerd. In die veelkoppigheid valt het onder meer dan één jurisdictie, onder verschillende boekhoudkundige stelsels en – niet te vergeten – onder verschillende mores. Amerikaanse rechters werken over het algemeen ‘rule based’, hetgeen inhoudt dat ze bij de beoordeling van handelingen vooral letten op het al dan niet overtreden van regels. Europa kent een ‘principle based’ benadering, waarbij intenties achter de handelingen een belangrijke rol spelen. Om een voorbeeld te noemen: het volledig consolideren van de omzet van een dochter waarin strikt gezien geen overwegende zeggenschap is, mag volgens de Nederlandse boekhoudkundige praktijk wél, maar volgens de Amerikaanse regels niet. De Ahold-bestuurders kan volgens de Nederlandse rechter niet worden verweten dat zij persoonlijk geldelijk gewin nastreefden met het opblazen van de concernomzet. Maar een stabiele voorspelbare groei van de omzet die werd beoogd, is wel degelijk van belang voor de beurskoers, de aura van succes rond een bedrijf en de beloning van bestuurders. Het is zeer de vraag wat een Amerikaanse rechter er van had gemaakt.

Om de zaken nog complexer te maken, strekken regels uit beide continenten zich soms uit tot binnen elkaars jurisdictie. Nederlandse bedrijven met een Amerikaanse beursnotering of vergaande activiteiten in de Verenigde Staten, dienen informatie af te dragen aan de Amerikaanse autoriteiten, met een gedetailleerdheid die hier ongekend is. Een Amerikaanse wet op deugdelijk ondernemingsbestuur, de Sarbanes-Oxleywet die sinds het Enron-schandaal de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders heeft aangescherpt, kent letterlijk geen grenzen.

Ahold is een Nederlands bedrijf, dat in een ‘Angelsaksische’ cultuur werkt. Veel concerns koketteren met die harde omgeving van presteren en afrekenen. Illustratief is dat het openbaar ministerie bij de strafmaat voor de vervolgde Ahold-bestuurders refereerde aan straffen die in de VS voor de delicten in kwestie gangbaar zijn; een redenering die de rechter overigens niet volgde. Deze tweespalt verklaart wellicht waarom voor veel buitenstaanders de straffen mild overkomen.

Hoe men dit ook wendt of keert: drie van de vier bestuurders hebben wél een strafrechtelijke veroordeling gekregen. Het Nederlandse strafrecht kan dus wel degelijk iets aan witteboordencriminaliteit doen. Het klassieke verweer, ooit door een Amerikaanse bestuurder in een antitrustzaak gebruikt – „Illegal? Yes, but not criminal” – , gaat ook hier niet langer op. Maar pas als wetten, regels en het toezicht even grensoverschrijdend zijn als het bedrijfsleven zelf, is het mogelijk aan ieders gevoel voor rechtvaardigheid tegemoet te komen.