Van top tot teen een uithangbord

Erica Terpstra (62) wordt morgenavond vrijwel zeker herkozen als voorzitter van sportkoepel NOC*NSF. “Zij is een van de weinige Nederlanders die geen achternaam nodig heeft.“

Erica Terpstra in juli 2004 in Scheveningen, bij de presentatie van de olympische ploeg voor de Spelen van Athene. „Ik zoek de camera’s niet op, die komen naar mij.” Foto Hollandse Hoogte Nederland. Den Haag, 12-07-2004, Sport, Presentatie van de Nederlandse Olympische ploeg voor Athene 2004 in het Scheveningse Circus Theater, 04.226 Erica Terpstra met de olympische vlam, olympisch vuur in haar handen. Foto: Jiri Buller/Sportbeeld/Hollandse Hoogte Hollandse Hoogte

Erica Terpstra heeft geen vijanden, alleen critici. De voorzitter van sportkoepel NOC*NSF personifieert het positivisme en is daardoor in brede kring dusdanig geliefd, dat haar opponenten niet vals willen klinken en er de voorkeur aan geven zich gedeisd te houden dan wel anoniem te blijven.

Het zal Terpstra morgenavond tijdens de algemene voorjaarsvergadering vrijwel zeker geen moeite kosten voor een laatste termijn van vier jaar te worden herkozen. Ze is populair bij de overgrote meerderheid van de sportbonden en wordt door sponsors op handen gedragen. Zelfs de politici met sport in hun portefeuille lopen met haar weg.

Maar er is een tegenbeweging, die zich niet zo luid roert en waarvan de omvang moeilijk is vast te stellen. Dat Terpstra onder invloedrijke sportbestuurders en professionals uit de organisatie meer vorm dan inhoud wordt verweten, is een realiteit. Na 2010, als haar termijn er opzit, hoopt die groep op een zwaargewicht die wel inhoud, kwaliteit en visie heeft.

Tot haar tegenstanders behoort de hockeybond, dat is een publiek geheim. Voorzitter André Bolhuis van de KNHB spreekt met weinig warmte over haar functioneren. “Wat mij bevreemdt“, zegt hij op bedachte toon, “is dat Terpstra zich niet houdt aan de aanbevelingen voor goed sportbestuur, de zogenoemde “code Loorbach'. Daarin staat dat iemand maximaal negen jaar deel van een bestuur mag uitmaken. Maar als Terpstra in 2010 haar termijn afsluit, heeft ze er wel twaalf jaar in het bestuur van NOC*NSF opzitten. Het is merkwaardig dat ze die regel niet respecteert, terwijl ze nota bene zelf het convenant heeft ondertekend. De Loorbach-code is wel de reden dat ik per 1 november stop als voorzitter bij de hockeybond.“

Het bestuur van NOC*NSF, zo blijkt uit een toelichting op het voorstel tot herverkiezing, vindt dat er in Terpstra's geval sprake is van een bijzondere situatie. Haar aftreden na tweeënhalf jaar voorzitterschap - van 1998 tot en met 2003 was zij bestuurslid - wordt niet logisch en niet wenselijk geacht.

Na veel turbulentie won Terpstra in 2003 de verkiezing om het voorzitterschap van Ruud Vreeman, de kandidaat van het bestuur. Saillant detail: diezelfde Vreeman - toen burgemeester van Zaanstad, inmiddels van Tilburg - treedt in juni toe tot het bestuur van de hockeybond. Een provocatie naar NOC*NSF? “Pertinent niet“, zegt Bolhuis. “Hij krijgt de portefeuille “sport en gemeente'. We zoeken altijd specifieke deskundigheid en het kan geen kwaad dat we een politiek stevig figuur in ons bestuur krijgen.“

Charles van Commenée heeft gemerkt dat Terpstra veel plezier beleeft aan haar representatieve functie. Als chef de mission voor de Olympische Zomerspelen van 2008 in Peking komt hem dat goed uit, omdat zij gedurende die periode, volgens afspraak, zijn protocollaire en ceremoniële taken overneemt. Hij betreurt dat allerminst, want Van Commenée heeft niets met representatie; hij is vooral van de inhoud.

“Erica is een van de weinige Nederlanders die geen achternaam nodig hebbent“, zegt de technisch directeur van NOC*NSF. “Zij is van top tot teen een uithangbord voor sportend Nederland. Fijn voor marketeers, omdat de organisatie “smoel' krijgt. Voorheen was het voorzitterschap van NOC*NSF bovenal een inhoudelijke functie. Terpstra neemt vooral de rol aan van ambassadeur van de sport. De functie is in korte tijd gepersonifieerd. Overigens is in het huidige tijdsgewricht vorm sowieso belangrijker dan inhoud. Vanuit het perspectief van de topsport is ze inhoudelijk vooral gericht op het onderhouden en benutten van haar enorme netwerk.“

Hoeveel sympathie Jan Rijpstra, voorzitter van de honk- en softbalbond (KNBSB) en oud-woordvoerder Sport namens de VVD in de Tweede Kamer, ook voor zijn partijgenote heeft, hij kritiseert Terpstra's houding in het debat over de instelling van een Raad voor de Sport als toonaangevend onafhankelijk adviesorgaan. “Waarom Erica dat als een bedreiging voor NOC*NSF blijft zien, is mij een raadsel. Het is ook onzin, omdat een sportkoepel altijd nodig zal blijven als uitvoeringsorgaan. Als we bewegen echt belangrijk voor de volksgezondheid vinden, heb je met een Raad voor de Sport een machtsmiddel om bij de overheid miljoenen extra voor de sport los te weken. Daarnaast zou ze zich moeten inspannen om sport in de Sociaal Economische Raad (SER) vertegenwoordigd te krijgen. Nu missen we net dat laatste stukje erkenning om gezien te worden als volwaardig onderdeel van de samenleving.“

De woordvoerders Sport in de Tweede Kamer oordelen mild over Terpstra. CDA'er Joop Atsma, tevens voorzitter van de wielrenunie (KNWU), en PvdA'er Gerdi Verbeet, delen niet de kritiek dat bij haar de vorm boven de inhoud gaat. Atsma: “Met die inhoud valt het nogal mee, ze weet goed waarover ze praat.“

En Verbeet: “Flauwe kritiek. Ik vind dat ze het goed doet en sport op de kaart heeft gezet. Dat kan van de staatssecretaris van Sport niet gezegd worden. Het enige commentaar dat ik op Terpstra heb, is dat ze wel wat kritischer op het kabinetsbeleid mag zijn. Sportbeleid is hap-snapbeleid; er ontbreekt een visie voor de lange termijn.“

Een vervelende eigenschap van Terpstra vinden mensen uit de organisatie haar neiging zich inhoudelijk te bemoeien met zaken die haar niet aangaan. Als bijvoorbeeld de afspraak is dat de voorzitter zich niet met technische zaken bezighoudt, kan het gebeuren dat Terpstra voor de televisie commentaar op selectieprocedures geeft.

Dat merkte Cees Vervoorn als chef de mission van de paralympische ploeg bij de Spelen van 1996 en 2000. “Ze schoot wel eens door in haar enthousiasme voor de gehandicaptensport“, zegt hij.

Anderzijds waardeert Vervoorn haar betrokkenheid. “Toen ik geen chef de mission werd voor de Olympische Spelen in Peking, maar voor Van Commenée werd gekozen, belde ze me op om tekst en uitleg te geven. Netjes, want het hoefde niet omdat ik wel graag wilde, maar niet officieel kandidaat was. Maar ik heb haar wel gezegd dat ik de keus van NOC*NSF niet verstandig vond, omdat de combinatie van technisch directeur en chef de mission gaat wringen. En het argument dat is gekozen voor een professional, vind ik niet sterk. Ik had ook heel professioneel kunnen werken.“

En hoe oordelen mensen die tweeënhalf jaar geleden haar kandidatuur niet steunden en tegen haar stemden? Ton Nelissen, voorzitter van de voordrachtscommissie die Vreeman op de eerste, Terpstra op de tweede en Atsma op de derde plaats had gezet, vindt dat ze het prima doet. “Ik kan goed met haar overweg, ook al had ik een andere mening bij de kandidaatstelling. Kiezen is de helft verliezen, zeg ik altijd.“

Frans Koffrie, voorzitter van de gymnastiekbond (KNGB) die destijds op Vreeman stemde, noemt haar samenbindend en enthousiasmerend. “En het imago van meer vorm dan inhoud heeft ze altijd gehad. Kort nadat ze was gekozen is ze een keer te gast geweest op een bestuursvergadering om haar ideeën toe te lichten. En ik moet zeggen: ze had een aardig verhaal.“

Zelf heeft Terpstra het gevoel veel tegenstand van tweeënhalf jaar geleden te hebben overwonnen.

“Ik ondervind veel loyaliteit, ook van degenen die destijds niet op mij hebben gestemd. Dat ik weinig vijanden heb, komt doordat ik me ook kwetsbaar opstel; ik ben niet bang een deukje op te lopen. En ik probeer bij alle sporten een keer aanwezig te zijn, of het nu frisbeeën, sjoelen of cricket is. Die sporten bezoek ik net zo graag als straks de voetballers bij het aanstaande wereldkampioenschap. Ik ben er voor de toppers en de amateurs.“

Van de kritiek dat ze meer van de vorm dan de inhoud is, wordt Terpstra warm noch koud. “Ik zoek de camera's niet op, die komen naar mij. En je moet eens weten hoeveel verzoeken ik afwimpel. Ik probeer ook wel eens een uitnodiging door te schuiven naar een bestuurslid. Maar dan zeggen ze al gauw: nee, nee, mevrouw Terpstra, we willen dat u komt.“

En dan is er nog de kwestie van het wachtgeld, waarop zij als oud-lid van de Tweede Kamer recht heeft. Velen vinden het ongepast dat Terpstra op kosten van de belastingbetaler voorzitter van een sportkoepel kan zijn. Maar sinds 1 januari van dit jaar maakt ze geen gebruik meer van de wachtgeldregeling, die zeventig procent van 6.650 euro bruto per maand bedraagt. Als commissaris van de Welten Groep, adviseur van Novartis Pharma, voorzitter van het Monuta Charity Fund en door het geven spreekbeurten genereert Terpstra een inkomen waarmee ze tevreden is.