Parade net een boerenkermis

Het jaarlijkse straatfestival De Parade heeft deze zomer een dak boven het hoofd.

Deze theatermakers passen in een traditie van acrobaten en vrouwen met baarden.

Kermis in Utrecht, Schilderij door Pyke Koch, 1928 Collectie Historisch Centrum het Markiezenhof, Bergen op Zoom De Parade gaat vreemd, Theater Instituut Nederland, Amsterdam, t/m 27/8. www.tin.nl

Een tractor met twee vrolijk bevolkte karren arriveerde vrijdagavond aan de Herengracht in Amsterdam, tegenover het Theater Instituut Nederland. Achteraan de tweede kar hing een piano; met meer verve dan raffinement bespeeld door Terts Brinkhoff, artistiek leider van het straatfestival De Parade. Een jaar geleden klopte hij aan bij het instituut met de vraag of er ruimte zou zijn voor een tentoonstelling over zijn vijftienjarige zomerkaravaan.

De tentoonstelling De Parade gaat vreemd, die na het arriveren van de optocht werd geopend in de tuin van de grachtenpanden van het instituut, plaatst Brinkhoffs creatie in een eeuwenlange traditie. Een kakelbont schilderij van de zestiende-eeuwse schilder Pieter Balten laat zien hoe de Parade lijkt op een boerenkermis van toen: op een openluchttoneeltje wordt een klucht gespeeld (man betrapt vrouw in veel te hitsige omhelzing met sujet in priesterkledij), en daar omheen spelen eten en drinken net zo'n voorname rol als tegenwoordig. Allerlei gravures en strooibiljetten maken melding van de grootste attracties uit de achttiende en negentiende eeuw. 'Een buitengewoone Vrouw dragende eene baard, bakkebaarden en knevels.' Of: 'Margarethe Mariot, voetkunstenares, zonder armen geboren. Zij schrijft, naait, breit, haakt, steekt een draad in de naald, eet, drinkt, naait op een handnaaimachine en speelt cither.' En 'de met roem bekende Hond Lelie, die kaart en domino speelt, op eene wijze die aan het ongelooflijke grenst.' De bezoekers moeten zich de ogen hebben uitgekeken op die schepsels.

In de loop van de negentiende eeuw verdwenen de kluchten, tragediën en blijspelen van de straat, zo vertelt de tentoonstelling, naar theaters waar een dak boven zat. Pas eind jaren zestig, toen jonge theatermakers een alternatief zochten voor het reguliere circuit, werd de straat weer een werkterrein. Eerst met het Onk-theater van de mime-speler Will Spoor en de zomertenten van het Werktheater, en daarna met het Festival of Fools, de Boulevard of Broken Dreams, Oerol en de Parade. Net als vroeger, al loopt de lijn in werkelijkheid niet zo recht als hier wordt gesuggereerd. Destijds zagen bezoekers vertoningen die ze nooit eerder hadden gezien. Nu komt het Parade-publiek af op feestelijk zomeravondvertier, met een knipoog gepresenteerd door spelers die de rest van het seizoen vaak gewoon in de theaters staan. Speciaal voor de Parade hebben ze iets hapklaars gemaakt, waaraan iedereen plezier beleeft.

De tweede zaal is door Brinkhoff ingericht alsof het zijn eigen werkruimte was. Aan de muren hangen beginselteksten als het aan Nietzsche ontleende: 'Alles wat niet vanaf de straat bedacht is, dient gewantrouwd te worden.' Verder is het een levendige uitstalling van kasten, tafels vol spullen, maquettes, foto's, bezienswaardige filmpjes, een strijkplank, een werkbank en diverse tekeningen van al dan niet uitgevoerde voorstellen voor 'mobiele concepten' die de baas van de Parade deze zomer in een reeks openbare debatten wil voorleggen aan schouwburgdirecteuren, de directie van Holland Festival en andere autoriteiten. Elke donderdagavond en zondagmiddag worden bovendien voorstellingen gespeeld in de Parade-tent in de tuin. En de Parade begint op 23 juni.

De Parade gaat vreemd, Theater Instituut Nederland, Amsterdam, t/m 27/8. www.tin.nl

    • Henk van Gelder