Mensenhart

Toen Rita Verdonk zeven weken geleden - wat kan er toch veel veranderen in korte tijd! - aankondigde dat zij lijsttrekker wilde worden van de VVD, gaf zij onder meer als reden: “Omdat ik het belangrijk vind dat we met z'n allen weer trots kunnen zijn op Nederland.“

Het lijsttrekkersdebat is nog niet afgerond, maar ik kan nu al zeggen dat het met die trots op Nederland wat mij betreft niet is gelukt. Integendeel: nooit eerder heb ik mij zo diep voor Nederland geschaamd als vorige week. Ik schaamde me al rot over de behandeling van Taïda Pasic, maar de bureaucratische starheid waarmee Ayaan Hirsi Ali is benaderd, slaat wat mij betreft alles. Een minister die zo verkrampt vasthoudt aan de regels, die niet naar de geest maar per se naar de letter van de wet wil handelen - het maakte me niet trots, ik herkende er mijn eigen land niet in.

En ik was duidelijk niet de enige. Nooit eerder heb ik zoveel mensen, bekenden en onbekenden, gevraagd en ongevraagd horen zeggen dat zij zich - ik doe een greep - diep hadden geschaamd, dat zij hun ogen uit hun kop hadden geschaamd, dat hun het schaamrood op de kaken had gestaan. Nu moeten dat allemaal tegenstanders van Rita Verdonk zijn geweest, en ja, het is mij bekend dat zij ook warme voorstanders heeft. Ik zag er een aantal hard klappen op de VVD-bijeenkomst in Hardenberg, een dag na een van de emotioneelste debatten in de recente parlementaire geschiedenis.

En, zijn die Hardenbergse VVD'ers nu trotser op hun land dan voorheen, nu Rita Verdonk afgelopen vrijdag heeft gezegd er niet aan te twijfelen dat Ayaan Hirsi Ali uiteindelijk de Nederlandse nationaliteit zal krijgen - lees: dat regels tóch niet altijd regels zijn?

Maar wacht, dit is geen politieke column maar een taalrubriek. De verleiding is groot om hier in te gaan op de herkomst van een woord als brokkenpiloot, op het verschil tussen besluit en constatering of op de geschiedenis van de verbinding menselijke maat. Maar ik ga dat niet doen, want er ligt nog iets anders dat moet worden afgerond, iets dat thematisch verwant is.

De afgelopen weken heb ik het hier gehad over oorlogswoordenboekjes. Ik wil er nog eentje noemen, namelijk het Tropenzakboek voor den soldaat, dat op 11 september 1945 werd uitgegeven door de “Bevelhebber Nederlandsche Strijdkrachten'. Er staan maffe dingen in dat boekje (bijvoorbeeld de Maleise vertaling van “kijk dat hutje eens branden“), maar ook behartigenswaardige.

Waar kregen Nederlanders voor het eerst te maken met een echt multiculturele samenleving? In Nederlands-Indië. Vier maanden na de bevrijding van Nederland kregen Nederlandse soldaten die naar Indië vertrokken het volgende te lezen: “Als wij uit dezen vreeselijksten aller oorlogen [...] één ding hebben geleerd, dan moet dit wel zijn, dat wij ons grondig hebben af te vragen: “Ben ik beter dan mijn bruine, gele, roode, zwarte medemensch, omdat ik wat minder pigment in mijn huid heb?' Neen! Misschien ben ik anders dan hij, die uit gekleurde ouders is geboren, maar zijn meerdere, in alle opzichten betere, ben ik niet. Men moet leeren, om dagelijks om te gaan met Javanen, Soendaneezen, Madoereezen, Maleiers, Chineezen, Arabieren, Brits-Indiërs, Menadoneezen, Amboneezen, nu en dan ook met pikzwarte Negers, ja zelfs met... Japanners! [...] Ten slotte blijken allen menschen te zijn met normale menschelijke eigenschappen, die ieder mensch met zijn deugden en gebreken bezit. Onder al die gekleurde huiden blijkt een warm menschenhart te kloppen.“

Het is slechts een constatering, maar zo dachten we er dus ruim zestig jaar geleden over.