Den Bosch weigert afstand te doen van 'abonnement'

Amsterdam was opnieuw het slachtoffer, ditmaal na het nemen van strafballen.

Het overwicht van Den Bosch zegt ook veel over de zwakte van de rest.

Het gejuich deed, zowel binnen als buiten de lijnen, bijna plichtmatig aan. Maar de hockeysters van Den Bosch hebben de armen in de maand mei al zo vaak in de lucht gegooid dat gisteren, na het veiligstellen van de negende landstitel op rij, niemand vreemd opkeek van de ingetogen vreugde aan de Oosterplas. Al wilde aanvoerster Minke Booij na de grauwe strafballenzege (5-4) op Amsterdam toch maar even gezegd hebben dat 'nummertje negen ook heel bijzonder is'.

Al negen jaar - een record - regeert Den Bosch met ijzeren vuist in de vrouwenhoofdklasse. Het zegt veel over de kracht van het uitgebalanceerde collectief uit Brabant, dat niet alleen meer én doelgerichter traint dan de overige clubs, maar bovendien beschikt over een ideale mix van jong en oud: grotendeels zelf opgeleide tieners, die aan de hand van drie ervaren ijzervreters (Booij, Donners en Schopman) langzaam maar zeker worden ingewijd in de geheimen van het tophockey. 'Deze club denkt na en blijft dat doen', zo sprak bondscoach Marc Lammers, zelf oud-speler van Den Bosch, gisteren vol lof.

Maar het overwicht van Den Bosch zegt ook veel over de zwakte van de rest. Lammers mag graag beweren dat 'de onderlinge verschillen in de top kleiner zijn geworden'. Waar of niet, tegelijkertijd is sprake van een eerder groter dan kleiner wordende kloof tussen diezelfde topvier en de overige acht hoofdklassers. Ook dit seizoen mocht Den Bosch zich uitleven tegen clubs, die de topsport slechts met de mond lijken te belijden. 'Uitslagen van 9-1 en 10-0 zouden niet mogen', erkende Den Bosch-voorzitter Rob Campbell.

Zover liet het opgekalefaterde Amsterdam het niet komen, maar Den Bosch dwingen tot het afstand doen van wat al het abonnement op de titel heet te zijn? Het was de ploeg van de afzwaaiende coach Giles Bonnet niet gegeven. Al leek de nummer drie van de reguliere competitie gisteren het jaarlijkse Den Bosch-fuifje nog wel even te willen uitstellen tot komende zaterdag (derde duel) door na 25 minuten (rake strafcorner Eveline Wisse Smit) brutaalweg een voorsprong te nemen, en die lange tijd te verdedigen. Een afgeketste inzet van Maartje Paumen in de voorlaatste minuut, uit Den Bosch' tiende en haperende strafcorner (1-1), betekende echter dat alsnog een verlenging en uiteindelijk strafballen uitkomst moesten bieden.

En die uitkomst stond al vast. Niet voor niets bracht Amsterdam-voorzitter Jons Hensel reeds voorafgaand aan de wedstrijd zijn felicitaties over aan collega Campbell. 'Ik dacht de boel aardig op de rit te hebben staan, maar niet dus. Het moet beter.' Waarmee hij zijn 'meiden' vooral niet wilde afvallen, want: 'Van een ploeg die het moet doen zonder twee vaste waarden op het middenveld (de geblesseerden Jiske Snoeks en Tatyana Kobzenko, red.) en één amper fitte international (Maartje Scheepstra, red.) mag je niet verwachten dat het dit Den Bosch, met al die kanjers, zomaar even aan de kant zet.'

Schamen deed Hensel zich daarentegen wel voor het povere verweer, een dag eerder in het Wagener-stadion, waar van een wedstrijd nimmer sprake was: 1-4. Om 'toch een beetje verwarring' te zaaien liet de zakenman afgelopen week het gerucht verspreiden als zou Amsterdam met het oog op de finale de Zuid-Afrikaanse strafcornerkanon Pietie Coetzee laten 'invliegen'. De naam van de boerendochter uit Bloemfontein stond immers op de spelerslijst.

Het was een wat doorzichtige afleidingsmanoeuvre, bekende Hensel gisteren. 'Wat wij willen - en dit seizoen al hebben gedaan - is in feite hetzelfde als wat Den Bosch doet: eigen jeugd opleiden en inbrengen, en dat geheel daar waar nodig aanvullen met één of twee toppers. Liefst uit eigen land, maar als dat niet kan, dan uit het buitenland.'

Hulp van buiten heeft Den Bosch niet nodig. Maar aanvoerster Booij beseft dat Brabantse hegemonie de uitstraling van haar naar (tv-)aandacht hunkerende sport niet ten goede komt. 'Het is een beetje het 'korfbal'-effect, met altijd dezelfde winnaar, maar goed: daar heb ik geen boodschap aan. Ik ben sporter, ik wil winnen. Het is ook niet onze schuld of zorg dat de concurrentie het laat afweten. Laren en Amsterdam doen goed mee, maar ik zie ook teams dat ik denk: dat kan véél professioneler. Wie wil excelleren, moet arbeid verrichten. En dat is niet drie avondjes in de week maar een beetje rennen en een balletje slaan. Dat is méér en vooral ook doelgerichter trainen.'

    • Mark Hoogstad