Wijze van inbedding van de balie in de rechtsstaat

De reactie van Hendrik Kaptein (Opiniepagina, 11 mei) op mijn bijdrage van 9 mei valt vooral op door de badinerende toonzetting. Kaptein verkeert kennelijk in de veronderstelling dat op dit moment de advocatuur in een juridisch vacuüm opereert, en werpt mij vervolgens voor de voeten dat ik mij tegen elke regulering van de balie zou verzetten. Hij dwaalt op beide punten.

De huidige wijze van inbedding van de balie in de rechtsstaat bestaat uit twee hoofdcomponenten. De eerste wordt gevormd door de Gedragsregels voor de advocatuur, die op grond van de Advocatenwet door de beroepsgroep zelf worden geformuleerd. De tweede component is de (eveneens in de Advocatenwet geregelde) tuchtrechtspraak door - in hoogste ressort - het Hof van Discipline, dat in meerderheid bestaat uit leden van de (gewone) rechterlijke macht. Het Hof toetst in concrete gevallen het gedrag van de advocaat aan wetgeving, de Gedragsregels en aan algemene rechtsnormen.

De (tucht)rechter heeft in dit stelsel dus het laatste woord. Dat systeem voldoet, omdat het enerzijds de advocatuur onder rechtsstatelijk toezicht stelt, anderzijds de onafhankelijkheid van de advocatuur ten opzichte van de executieve waarborgt. Juist de onafhankelijkheid ten opzichte van het bestuur is een essentiële voorwaarde, omdat de advocatuur in een rechtsstaat de vrijheid moet hebben om datzelfde bestuur, diezelfde overheid, ten dienste van de belangen van een individuele staatsburger met alle middelen rechtens te bestrijden.

De voorbeelden voor dat soort rechtsstrijden vindt men niet alleen in het strafrecht, maar kunnen ook daarbuiten worden gevonden: ik wijs bijvoorbeeld op de slepende affaires Oltmans en Spijkers. Het is mede op deze grond, dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in verschillende uitspraken (Nikula, Kyprianou) heeft geoordeeld dat de overheid de rechtshulpverlener een grote mate van vrijheid dient te laten in de keuze van de middelen die dienstig kunnen zijn bij de behartiging van de hem toevertrouwde belangen. Deze noodzakelijke onafhankelijkheid wordt door een van de voorstellen van de Commissie Advocatuur bedreigd: in plaats van de beroepsgroep zou voortaan een `Regelgevende Raad` richtlijnen en gedragsregels voor de advocatuur moeten gaan voorschrijven, waarbij de meerderheid van de leden van die Raad benoemd zou moeten worden door de minister van Justitie.

    • Dr. Mr. D.V.A. Brouwer