Vertrouwen genieten is een risico

Vertrouwen komt te voet en gaat te paard'. Het was geloof ik Gerrit Zalm die deze uitdrukking na de rampzalige verkiezingen van 2002 in omloop bracht. Misschien was het al een oud spreekwoord, maar voor mij was het toen nieuw en is het sindsdien alleen maar actueler geworden. Het tweede Paarse kabinet genoot bij de eeuwwisseling het vertrouwen van 80% van de bevolking, ook internationaal een ongekend hoog cijfer, maar in het Fortuyn-jaar 2001-2002 liep het vertrouwen in korte tijd ook weer heel sterk terug. 'Herstel van vertrouwen' was het thema van het eerste kabinet-Balkenende, maar bijna vier jaar later is daar nog steeds geen sprake van. Minder dan de helft van de Nederlanders geeft aan vertrouwen te hebben in het huidige kabinet. Een beetje schrale troost is dat de regeringen van Bush, Blair en Chirac er niet veel beter voor staan.

Vertrouwen is het krachtvoer van de politiek. Zonder vertrouwen overleeft in een democratie op termijn geen kabinet en krijgt geen politicus het electoraat op zijn hand. Toch is er over vertrouwen, de manieren om het te verwerven en de kans om het te verliezen heel weinig bekend. Het begrip is misschien ook zo vanzelfsprekend, dat het nauwelijks nodig lijkt er bij stil te staan. Wie echter over vertrouwen gaat nadenken, merkt al snel dat het om een heel bijzonder, zeer efficiënt werkend maar ook behoorlijk risicovol sociaal mechanisme gaat. Vertrouwen spaart heel veel tijd uit, maakt het leven een stuk gemakkelijker, maar getuigt ook van een optimisme dat niet altijd gerechtvaardigd zal blijken te zijn. Zolang het vertrouwen niet beschaamd wordt, brengt het rust in het bestaan en bevordert het ook in hoge mate de sociale samenhang. Zonder vertrouwen moet alles precies geformuleerd en nog nauwkeuriger gecontroleerd worden: juridisering van afspraken hoort net zo goed bij gebrek aan vertrouwen als detectiepoortjes of lijfwachten.

In zijn proefschrift omschrijft de bestuurskundige Gerard Breeman vertrouwen als een 'mental status of favourable expectations', als de verwachting dus dat het wel goed zal zitten en wel goed zal gaan. Het is die verwachting die mensen een vliegtuig in doet gaan, een dokter ingrepen op hun lichaam laat verrichten en een politicus hun stem doet geven. Hoewel het meestal niet gebeurt en ook niet nodig is, kunnen mensen wel een antwoord geven op de vraag waarom ze in iemand of iets vertrouwen hebben. Dat is altijd een individueel antwoord, dezelfde politicus kan door de ene kiezer als bijzonder vertrouwenwekkend gezien worden en door de ander als het levende bewijs van alles wat vies en voos is.

In de economie is vertrouwen vooral in zijn collectieve vorm beslissend voor bloei, recessie en herstel. Meer vertrouwen maakt consumenten niet alleen minder spaarzaam, maar hun 'Spendierfreudigkeit' bevestigt ook hun gelijk: het gaat beter met de economie en dat versterkt weer het vertrouwen.

Collectief vertrouwen is geen vaag esoterisch verschijnsel, maar is zichtbaar in het gedrag van individuen. Zo was na '9/11' in veel landen een toename van het vertrouwen in de eigen regering zichtbaar, terwijl de crisis die de Dutroux-affaire in België te weeg bracht juist tot een vermindering van vertrouwen leidde. In de reclame wordt graag gebruik gemaakt van het vertrouwen dat bepaalde publieke personen genieten om een nieuw product aan de man te brengen. 'Uw bakker, uw dokter' stond er vroeger op een halfje Tarvo, een mooie vorm van vertrouwenskoppeling tussen twee achtenswaardige beroepen. Tegenwoordig zal het vertrouwen van de dokter niet gauw meer verbreed worden naar een gebied waar hij geen competentie heeft, maar in de farmaceutische wereld weet men wel precies wie door bijvoorbeeld huisartsen als opinion leaders in de eigen beroepsgroep worden gezien. Zij worden door de collega's vertrouwd en hun oordeel is dan ook vaak bepalend voor het succes of het mislukken van de introductie van een nieuw medicijn. Zonder risico is dat allemaal niet, want zelfs maar de suggestie van misbruik van vertrouwen kan voor de positie van de opinion leader fataal zijn.

In zijn proefschrift geeft Gerard Breeman een mooie analyse van de processen en mechanismen die met het verschijnsel vertrouwen samenhangen. Hij gebruikt zijn conceptuele kader vervolgens om de acceptatie van het landbouwbeleid door de Nederlandse boeren te onderzoeken en ook te analyseren waar en hoe in bijvoorbeeld de oplossing van het mestprobleem, de invoering van melkquota of de bestrijding van varkenspest en mond-en klauwzeer het vertrouwen tussen overheid en boeren onder druk kwam te staan. Hij doet dat op basis van een groot aantal stukken en dat levert ook heel wat mooie nieuwe inzichten op. Zo probeerde in 2001 tijdens de mond-en klauwzeerepidemie een inspecteur de boze boeren van Kootwijkerbroek tot de 'wij-modus' van vertrouwen te brengen door uit te roepen 'we zullen het virus overwinnen'. De boeren hoorden iets heel anders : 'wij van de inspectie zullen jullie overwinnen'. Een kleine burgeroorlog was het gevolg.

In de analyse, ook van de meer recente case-studies, mis je natuurlijk wel het oordeel van de betrokkenen zelf, ook achteraf. Hoe zat dat nu met het vertrouwen? Waar ging het mis en hoe kwam dat? Wat ook echt te weinig aandacht krijgt, is de grote betekenis van de persoonlijke factor bij vertrouwen. In de analyse klinkt dat wel door, bijvoorbeeld in de enorme uitstraling van een 'grote' boer als Mansholt: voorbeeld, voorman en voorloper tegelijk. Heel even duikt ook boer Koekoek op, een van de eersten die het vertrouwen in de gevestigde instituties, met name het Landbouwschap, opzegde. Hij vertrouwde de gezagsdragers niet en verwierf door zijn obstinate tegenstand ook zelf weer vertrouwen, om dat vervolgens ook weer te verspelen. Bij Koekoek werd misschien ook voor het eerst duidelijk hoe belangrijk de media - vooral televisie - zijn geworden in het vestigen maar ook het opzeggen van vertrouwen. Het lijkt er steeds meer op dat vertrouwen zowel komt als gaat met vaart. Dat maakt het allemaal wel veel moeilijker.

gerard breeman - cultivating trust. how do public policies become trusted? 245 p. universiteit leiden, 2 maart 2006. promotor: prof. dr. j. de vries
    • Paul Schnabel