Theater met ondertitels in Vlaams, Frans én Berbers

Na een ingrijpende renovatie heropende in Brussel de Koninklijke Vlaamse Schouwburg. Met het interieur veranderde ook de artistieke koers: het is nu een stadstheater voor alle Brusselaars.

Achterkant van de zaal van de KVS (Foto Toon Grobet) Grobet, Toon

Er is geen grotere stad waar Nederlands gesproken wordt dan Brussel, schrijft Geert van Istendael in Het Belgische Labyrint. Zo'n tien procent van de Brusselaars is Nederlandstalig. Wie nu door de stad loopt, kan het zich moeilijk voorstellen, maar eind negentiende eeuw sprak de overgrote meerderheid hier een Nederlands dialect. Alleen de elite sprak Frans.

In de jaren tachtig van de negentiende eeuw boekte de Nederlandstalige meerderheid een belangrijke overwinning op de Franstalige bestuurders: een eigen theater, de Koninklijke Vlaamse Schouwburg. Na een jarenlange renovatie (kosten 56 miljoen euro) is het gebouw onlangs heropend. Van buiten ziet het er net uit als toen, van binnen is er veel veranderd. Het resultaat is indrukwekkend. Nog ingrijpender is de artistieke koerswijziging van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg - kortweg KVS. Er komen nu niet alleen Vlamingen meer naar de voorstellingen, maar ook nieuwe Brusselaars, migranten, én, wel revolutionairder in de Belgische verhoudingen: Franstaligen.

Eerst de buitenkant. Die toont een deel van de geschiedenis. Aan de achterzijde verraadt de gevel de oorspronkelijke functie van het gebouw, dat van wapenarsenaal. Hier was vroeger de haven van Brussel. Vanaf de zijkant heeft het theater het imposante van een groot schip. Er zijn vier verdiepingen met lange gietijzeren balkons, die doen denken aan de relingen van een passagiersschip. Als het mooi weer is, kunnen de theaterbezoekers er in de zon zitten.

Aan de binnenkant botst de negentiende-eeuwse Vlaamse neo-rennaissancestijl - zuilen, lantaarns en andere versieringen - met het beton van de moderne tijd. De eigenlijke zaal is een gebouw in een gebouw, een betonnen cocon, genaamd de bol. Het zitgedeelte is iets kleiner dan vroeger, maar het speelvlak is meer dan verdubbeld van 150 naar 310 vierkante meter. De hoogte boven het podium is ronduit imposant. De stoelen, die rood waren, zijn nu zwart. Ze kunnen per rij omhoog of omlaag. Technisch is alles mogelijk wat een moderne theatermaker maar wil. Dat was de afgelopen jaren wel anders. Tijdens de verbouwing verhuisde de KVS tijdelijk van het centrum van de stad naar een oude fabriek in Molenbeek - zo'n beetje dé achterstandswijk van Brussel. 'Er zijn nauwelijks mensen die Nederlands spreken, of beter, géén', zegt Jan Goossens (34), artistiek leider van de KVS. De verhuizing, die min of meer toevallig tot stand kwam, leidde tot een radicale koerswijziging. De KVS, ooit een klassiek repertoiregezelschap met een vast ensemble dat speelde voor een burgerlijk, Vlaams publiek, zou er voortaan zijn voor alle Brusselaars. Goossens: 'De KVS heeft een belangrijke rol gespeeld in de emancipatiestrijd van de Vlamingen. Maar die strijd is geleverd. Dankzij de verworvenheden daarvan kan de KVS nu de emancipatiepogingen van andere gemeenschappen steunen.'

Eenvoudig bleek dat niet. In het eerste seizoen in Molenbeek organiseerde de KVS een 'festival Maghreb'. Gedurende twee weken stond een keur aan Noord-Afrikaanse artiesten op het podium. 'We wilden het publiek uit Molenbeek over onze vloer krijgen', zegt Goossens. Het mislukte. De zaal bleef leeg. Oorzaak: 'We hadden allemaal Arabische artiesten uitgenodigd, en ons niet gerealiseerd dat de meeste mensen in de wijk Berbers zijn.'

Met Gembloux lukte het wel. Dat is een voorstelling over Marokkaanse tirailleurs, jonge mannen die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de geallieerden naar Europa werden gebracht om te dienen als kanonnenvlees. Het idee was afkomstig van twee Marokkaanse Brusselaars die vlakbij het tijdelijke theater in Molenbeek woonden. 'Ze vertelden ons de verhalen over die tirailleurs, die zij weer van hun vaders hadden gehoord', zegt Goossens. De voorstelling, die al drie seizoenen wordt hernomen, was 'een dijkdoorbraak'. Er kwamen niet alleen migranten maar ook autochtone Franstaligen naartoe. Gembloux, genoemd naar de plaats in Wallonië waar honderden van deze 'vrijwilligers' zijn begraven, werd boventiteld in drie talen: Nederlands, Berbers en Frans.

Niet iedereen stond te juichen. Het Vlaams Belang, in Vlaanderen goed voor 25 procent van de stemmen, zei dat de KVS geen subsidie meer mag krijgen als er Frans wordt gesproken op het toneel.

De KVS gaat met haar boodschap niet alleen in tegen het Vlaams Belang, maar ook tegen de tijdgeest in bredere zin. Andere Vlaamse organisaties proberen tegenwoordig juist hun Vlaamsheid zoveel mogelijk te benadrukken. Vlamingen en Walen hebben hun eigen partijen, hun eigen kranten, hun eigen werkelijkheden. 'Veel Vlamingen', zegt Goossens, 'volgen beter wat er in Nederland gebeurt of in Frankrijk, dan in Wallonië. Brussel is de enige plek waar nog contact is.'

De Vlamingen zijn in Brussel niet meer in de meerderheid, zoals in de beginjaren van de KVS. Maar de Franstaligen ook niet meer, door de komst van migranten uit niet-westerse landen én de vele medewerkers van de Europese instellingen in Brussel. Over hen maakte de KVS ook een voorstelling. Brussel, zegt Goossens, is een stad van minderheden. Hij wil dat alle Brusselaars tenminste één keer per jaar een reden hebben om naar het theater te komen. De nieuwe koers, erkent hij, is mede ingegeven door economische motieven. Maar hij gelooft er ook oprecht in. 'We hebben geen opdracht gekregen om het publiek meer divers te maken. De artistieke ploeg heeft zichzelf die opdracht gegeven. Het is de enige houding waarmee je in Brussel aan een stadstheater kunt bouwen.'

Inlichtingen: www.kvs.be