The American Connection

Komende week bezoekt de Israëlische premier Olmert de Verenigde Staten. Daar woedt een fel debat over de invloed van de Israëllobby op het Amerikaanse Midden-Oostenbeleid. Wie zijn de hoofdrolspelers? 'Vrede komt in hun vocabulaire niet voor.'

Actrice Sharon Stone op 12 maart 2006 Foto AP American actress Sharon Stone prays at the Western Wall, Judaism's holiest site, in Jerusalem during her visit 12 March 2006. The Hollywood star is on the final leg of her visit to Israel in a bid to promote peace. AFP PHOTO/GALI TIBBON AFP

Halverwege vorige maand werd Tony Judt gebeld door de opinieredactie van The New York Times. Dat was geen toeval. Tony Judt geniet een grote reputatie als hoogleraar geschiedenis in New York. De Amerikaanse Council on Foreign Relations riep zijn recente studie 'Postwar' over het naoorlogse Europa uit tot 'het beste boek dat de laatste twee jaar over internationale betrekkingen is verschenen'.

The New York Times vroeg of Tony Judt een stuk wilde schrijven over Catalonië.

'Catalónië?'

Het verzoek kwam Judt in zekere zin goed uit. Hij vroeg zich al weken af wat The Times bezielde. Zoals de meeste Amerikaanse dagbladen schreef de krant nauwelijks over het belangrijkste discussiestuk inzake de Amerikaanse politiek dat volgens hem dit jaar was verschenen: een essay waarin de hoogleraren John Mearsheimer (Chicago) en Stephen Walt (Harvard) de Israëllobby in de VS aanvallen, en de dominante invloed die de lobby heeft op het Amerikaanse buitenlandse beleid.

In het essay blazen Mearsheimer en Walt een oude these nieuw leven in. Ze constateren dat de Verenigde Staten zichzelf tekortdoen door solidariteit met Israël als uitgangspunt van hun Midden-Oostenbeleid te nemen. Het verzwakt de positie van de VS in de rest van het Midden-Oosten, schrijven ze, en het stimuleerde de Amerikanen drie jaar geleden om de catastrofale oorlog in Irak te beginnen. Dat is niet alles. Want inmiddels laten de VS zich meeslepen in eenzelfde confrontatie met Iran over zijn nucleaire ambities - een ontwikkeling die voor Israël van groot belang is maar voor de VS geen existentiële bedreiging vormt, aldus de hoogleraren.

Het essay, vertelt Judt, bevat onjuistheden en zwak onderbouwde stellingen. Maar de essentie - dat de Amerikaanse solidariteit met Israël vaak niet het Amerikaanse belang dient - is volgens hem hét thema van deze tijd. 'We zouden hierover uitvoerig moeten discussiëren. De kranten zouden vol moeten staan. Maar The New York Times begint liever over Catalonië, angstig als men is voor de Israëllobby.' Dat is de paradox, zegt hij. Dezelfde Israëllobby die zo'n grote greep heeft op het Amerikaanse beleid is ook in staat afwijkende geluiden te smoren: wie de ban breekt, zegt hij, wordt onderwerp van laster. 'Als je de grenzen overschrijdt die de lobby stelt, word je onmiddellijk voor antisemiet uitgemaakt. Dus alleen joden - zoals ik - kunnen zich uitspreken.'

Judt deed dat drie jaar geleden. In The New York Review of Books bepleitte hij de omvorming van Israël tot een joods-Arabische staat. Volgens hem representeert de muur die Israël optrok op de grens met het Palestijnse gebied het morele failliet van de joodse staat. Zijn opvatting veroorzaakte een storm van protest. In anonieme telefoontjes betuigde 'Hitler' zijn liefde voor Judt, en zijn mailbox liep na een paar dagen vast met meer dan duizend boze e-mails.

Een georganiseerde campagne, vermoedt Judt: veel mails waren nagenoeg identiek verwoord. Op de universiteit kwam hij onder vuur te liggen toen hij kort na zijn pleidooi een debat met Palestijnse vertegenwoordigers over de oorlog in Irak belegde. En het progressieve weekblad The New Republic bedankte hem voor zijn diensten als medewerker. 'Het geeft aan', zegt Judt, 'dat het in dit land onmogelijk is een open debat over Israël te voeren. Het is volledig gepolariseerd. Ook Amerikaanse intellectuelen zijn op dit punt uiterst conformistisch. Wie afwijkt, wordt afgedankt.'

Voertaal Amerikaans

Amerika is in Israël nooit ver weg. Op een warme middag op het plein voor de Klaagmuur in Jeruzalem laten groepen scholieren uit Chicago, Missouri en Californië zich vrolijk lachend fotograferen. Zij hebben de acteurs Will Smith en Sharon Stone gemist. Later blijkt dat ook de burgemeester van Chicago, Daley, en zijn vrouw en de Californische gouverneur Schwarzenegger rondliepen. Voor Amerikaanse politici met een joodse constituency is een reis naar het beloofde land een kwestie van goede kruidenierspolitiek.

Republikeinse en Democratische leiders in het Congres, kandidaten voor zetels in Huis en Senaat zijn voor de commerciële fotografen bij de Klaagmuur bekende gezichten. Om de manschappen van de hondenbrigade van de Amerikaanse mariniers niet te vergeten. De K-9-eenheid traint in Israël voor speciale missies in Irak. Bij vlagen is de voertaal op het plein voor de westelijke muur van de vernietigde tempel Amerikaans, ook onder de ultra-orthodoxen. De belangrijkste chassidische sekten hebben immers hoofdkwartieren in Williamsburg of Brooklyn, wijken in de stad New York.

De Amerikaans-Israëlische relaties zijn overal zichtbaar. Nagenoeg al het Israëlisch militair materieel is in de VS aangeschaft. Alle grote leveranciers van helikopters, motoren en elektronica hebben vestigingen in Israël. De spectaculaire groei van de Israëlische economie (6,6 procent in het laatste kwartaal van vorig jaar) is mede te danken aan de Amerikaanse investeringen ter waarde van 6 miljard dollar. Het succes van de Israëllobby in de VS is geworteld in een schuldgevoel van 5,8 miljoen Amerikaanse joden, zegt Akiva Elda, schrijver, docent en diplomatiek columnist van Haaretz, een krant waarvoor hij ook tien jaar correspondent was in Washington. Hij zegt: 'Veel Amerikaanse joden voelen zich verplicht Israël te steunen, omdat zij zelf niet naar Israël zijn geëmigreerd, zoals een echte jood betaamt.'

De joodse gemeenschap in de VS is de succesvolste, grootste, rijkste, invloedrijkste en meest geïntegreerde uit de recente geschiedenis, zegt Judt. Maar een gezamenlijke identiteit was altijd moeilijk te vinden. 'Het enige dat mensen gemeenschappelijk hebben is Auschwitz en Israël.' Het stimuleert de behoefte om Israël te vuur en te zwaard verdedigen. 'Ik kom uit het Verenigd Koninkrijk. Pas toen ik hier kwam, ontdekte ik hoe groot het verschil met Europa is.'

Angst zaaien

De politieke solidariteit van de VS met Israël ontstond vrijwel automatisch. Tot de val van de Berlijnse muur was Israël het Amerikaanse bruggenhoofd in het Midden-Oosten tegen het wereldcommunisme. De aanvallen van 1948, 1967 en 1973 deden de rest. Israël - allerminst een ontwikkelingsland - werd de belangrijkste ontvanger van Amerikaans hulpgeld, nu zo'n 3 miljard dollar per jaar.

Dé Israëllobby bestaat overigens niet. Het gaat om verschillende groepen; sommige opereren diplomatiek, andere agressief. De bekendste is het American-Israel Public Affairs Committee (AIPAC), dat zich exclusief richt op de politiek. In enquêtes onder Congresleden werd AIPAC diverse malen aangewezen als de beste, zoniet één van de beste lobbygroepen in Washington. AIPAC beschikt over een razendsnel te mobiliseren netwerk, zegt Haaretz-columnist Eldar. Het wordt vooral gebruikt voor fondsenwerving om zo politieke invloed uit te oefenen.

De columnist geeft een voorbeeld. Stel, zegt hij, er is een lid van het Huis van Afgevaardigden uit Georgia of Alabama waar AIPAC niet erg dol op is. Dat lid is verwikkeld in een strijd om zijn herverkiezing. Zijn tegenkandidaat is pro-Israël, maar in zijn district is bijna geen jood te vinden. 'AIPAC is in zo'n geval in staat het netwerk van joden in New York, New Jersey of Los Angeles aan te boren om met veel geld de tegenkandidaat te steunen.' AIPAC beïnvloedt op deze manier verkiezingen in alle staten en districten. 'Het is niet zozeer een kwestie van de hoogte van de bedragen, maar van de snelheid waarmee financiële steun beschikbaar is.' Op zich is daar ook volgens Eldar niets tegenin te brengen. Efficiënt, doelgericht en succesvol lobbyen is zo Amerikaans als apple pie.

Eldar bekritiseert in de eerste plaats de inhoudelijke agenda van AIPAC. 'Zij zijn erg goed in het verkopen van paranoia en angst. Vrede komt in vocabulaire niet voor. Rabin, premier tijdens het Oslo-proces, had daarom ook een bloedhekel aan AIPAC, want zij deden niets anders dan hem dwarsbomen.' In feite vertolkte AIPAC destijds niet de officiële standpunten van de toenmalige regering, maar van de rechtse oppositie, van Likud-leiders als Netanyahu en Sharon in het bijzonder. 'In hun wereldbeeld zijn alle Arabieren door en door slecht en hebben alle Arabieren het altijd gemunt op Israël. Zonder angst te zaaien is er geen AIPAC. Als er vrede is met de Palestijnen en met de buurlanden, heeft AIPAC geen bestaansrecht meer en moeten al die honderden medewerkers op dat grote kantoor ontslagen worden. AIPAC is een beest dat voortdurend moet worden gevoed. Zij vertegenwoordigen niet heel Israël, maar de rechtervleugel van het rechtse segment.'

Amerikaanse aanhangers van AIPAC zeggen dat de organisatie slechts de publieke opinie in de VS reflecteert. Het blijkt uit het feit dat AIPAC met Democraten en Republikeinen uitstekende relaties onderhoudt. Zo was de tweevoudig ambassadeur van Bill Clinton in Israël, Martin Indyk, in een vorig leven onderzoeksdirecteur van AIPAC. 'De Israëllobby is hier zo sterk', zegt een Europese diplomaat in Washington, 'omdat de twee grote partijen in dit land aan dezelfde kant van het probleem staan.' Maar critici zeggen dat de onaangenaamste kant van de Israëllobby is dat men elk tegengeluid weet te onderdrukken.

Niet-zuivere media

Veel genoemd wordt in dit verband het comité Camera (Committee for Accurate Middle East Reporting in America) dat acties tegen media onderneemt die volgens het comité niet 'zuiver' over het Midden-Oosten rapporteren. Zo protesteerde het comité in 2003 in 33 steden bij vestigingen van de Amerikaanse publieke omroep, en spoorde het leden van de omroep aan hun financiële steun in te trekken: de berichtgeving was te negatief over Israël. Ook de campagne tegen Tony Judt werd dat jaar door Camera geregisseerd, zegt Judt. 'Honderden mails die ik kreeg waren kopieën van een voorbeeld dat Camera op zijn website had gezet.' Camera, zegt co-directeur David Mladinov, wil alleen opiniemakers en media 'ter verantwoording roepen als ze fouten maken'.

Het comité beschikt over een fijnmazig netwerk dat zich niet alleen richt op het nationale debat. Ook op lokale schaal is Camera er als de kippen bij als onwelgevallige opvattingen over Israël worden gepubliceerd, vertelt Henry Clifford. Hij is voorzitter van een Israëlisch-Palestijns vredesgroepje in Wainscott, een 600 inwoners tellende enclave op Long Island bij de stad New York. Clifford en zijn negen medebestuursleden (vijf christenen, vijf joden) sturen geregeld een kritische brief over de Israëlische rol in het Midden-Oostenconflict naar het lokale weekblad.

Mladinov: 'De week erop, je kan er de klok op gelijk zetten, worden we aangevallen en besmeurd. Het woordgebruik is altijd hetzelfde. We zijn fanatici, schoften of antisemieten.' Het schrikt mensen af. 'Ik heb contact met mensen die het met mij eens zijn. Maar ze spreken zich niet uit omdat ze de aanvallen vrezen.' Hetzelfde geldt voor Congresleden, zegt Clifford. Hij zegt contact te hebben met medewerkers van Congresleden die de vredeswens van Cliffords comité steunen. Maar ze vertellen hem er direct bij dat ze 'niet on the record gaan: dan krijgen we problemen met AIPAC en dat verkleint de kans op herverkiezing.' Ook columnist Akiva Eldar vindt het een onhebbelijke kant van de Amerikaanse Israëllobby. 'Het is buitengewoon onjoods om debatten te smoren. Veel te snel wordt beweerd dat iemand antisemitisch is als er harde kritiek op Israël wordt uitgeoefend.'

Debat op slot

Intussen is het effect groot: de Amerikaanse politieke discussie over het Midden-Oosten zit zo goed als op slot. Vooral Israël is er content mee. Typerend is een grap die een Israëlische deelnemer aan de jaarlijkse conferentie van AIPAC afgelopen maart opving. Daarin maken de Amerikaanse president en de premier van Israël een wandelingetje na een officieel diner in het Witte Huis. 'Zeg', vraagt het Amerikaanse staatshoofd: 'Onze landen onderhouden nu al jarenlang een zeer bijzondere band. We delen dezelfde waarden en normen, we hebben veel met elkaar gemeen. Is niet de tijd aangebroken om van Israël de 51ste staat van de Verenigde Staten te maken?' De premier van Israël denkt even na. 'Beste vriend, thanks, but no thanks. Als Israël een Amerikaanse staat zou zijn, zouden wij maar twee senatoren in de Senaat hebben, terwijl wij nu op alle honderd kunnen rekenen.'

Het was op diezelfde AIPAC-bijeenkomst in maart dat vice-president Dick Cheney, voor het eerst sinds lange tijd, harde taal aan het adres van Iran sprak. Hij hield het land 'gewichtige consequenties' voor als het zijn uraniumverrijkingsprogramma niet stopzette. Het was een typisch voorbeeld van de invloed van de Israëllobby, zei een Europese diplomaat die dagen: zonder AIPAC zou de Amerikaanse regering, hangende het diplomatieke overleg, zich niet zo kras hebben uitgelaten. En sinds Cheney's toespraak loopt de confrontatie met Iran verder op, niet in het minst door toedoen van de Iraanse president Ahmadinejad.

Zalman Shoval, tweevoudig Israëlisch ambassadeur in Washington, nu voorzitter van de Israëlisch-Amerikaanse Kamers van Koophandel: 'Iran maakt het AIPAC tamelijk makkelijk. Iedere uitspraak van president Ahmadinejad over hoe Israël van de kaart geveegd zal worden, verlicht het werk van AIPAC. De hele kwestie verkoopt zichzelf.' Een van de meest omstreden waarnemingen in het essay van Mearsheimer en Walt is dat Israël de VS ervan hebben doordrongen dat een nucleair Iran een groot risico voor de VS zou zijn. 'De CIA en de NSA zijn al veel eerder tot die conclusie gekomen', zegt Eldar. En oud-ambassadeur Shoval zegt dat hij zich briefings van de CIA over Iran van begin jaren negentig herinnert. 'Wij waren degenen die luisterden. Ook in 1999, toen het voor het eerst serieus ging over de nuclearisering van Iran, waren wij toehoorders. We zijn het eens met de Amerikaanse analyse van de ernst van de dreiging, maar wij zijn beslist niet de gangmakers.'

Dat neemt niet weg dat het Iran-dossier in Amerikaanse ogen omineuze gelijkenissen heeft met de aanloop naar de oorlog in Irak. Hoewel nagenoeg niemand het er in de VS op houdt dat Amerika die oorlog is begonnen alleen omdat Israël dat wilde, herinneren betrokkenen zich levendig dat Israël geen kans onbenut liet om de Amerikanen de oorlog in te praten. Dat doet de positie van de Israëllobby geen goed.

Iran-kenner en hoogleraar antropologie William O. Beeman aan Brown University in Rhode Island zegt het zo: 'Israël is zeer succesvol in het verkopen van het idee dat zijn buurlanden een grote bedreiging voor de wereld vormen. Zo is het met Irak ook gegaan. Maar Iran heeft nog nooit in zijn geschiedenis een aanval geopend.'

De kans dat de VS onder de huidige omstandigheden tot een aanval op Iran zouden overgaan, wordt klein geacht, ook door de critici van de Israëllobby. Judt: 'Ik zie de gelijkenissen met de aanloop van de oorlog in Irak ook. Maar het zwaartepunt in het debat is verlegd. Het maatschappelijke klimaat in de VS laat weinig ruimte voor een aanval.' Het is ook, zegt hij, een van de tekenen dat de Israëllobby over zijn hoogtepunt heen is. Hij wijst op een pijnlijke strafzaak op dit moment in de VS, waarin twee AIPAC-medewerkers worden vervolgd wegens spionage (zie inzet). Hij wijst op de massale weerzin tegen de oorlog in Irak. En hij wijst op de afloop van zijn gesprekken met The New York Times, vorige maand.

Het kostte overredingskracht - maar ten slotte gaf de krant Judt de ruimte het belang van het essay van Mearsheimer en Walt in een opiniestuk toe te lichten. 'Ik vond het moedig van ze. Ook zij lopen het gevaar van boycotacties als ze zich te pro-Palestijns opstellen.' Het aantal boze reacties bleef deze keer beperkt tot 225 mailtjes. De oorlog in Irak, zegt Judt, zal uiteindelijk de ommekeer in het Amerikaanse denken over het Midden-Oosten teweegbrengen. Als je oorlog moet voeren om invloed uit te oefenen, héb je geen invloed meer, redeneert hij. En langs dezelfde lijnen zal Israël op de langere termijn ontdekken dat identificatie met de Israëllobby niet langer in zijn belang is. 'Beide landen zullen tot het inzicht komen dat de Israëllobby meer schade aanricht dan goed doet. Het gebeurt niet van vandaag op morgen. Over 25 jaar zijn er geen overlevenden van de holocaust meer. Daarmee verdwijnt het automatisme van Amerikaanse steun. Jonge politici zullen alleen nog rationeel redeneren: waarom roepen wij de weerzin van de hele internationale gemeenschap op, enkel omdat we dat kleine mediterrane landje in het Midden-Oosten per se moeten steunen?'

    • Tom-Jan Meeus
    • Oscar Garschagen