Recept voor geslaagde immigratie: Verscheidenheid binnen eenheid

Op de achtergrond van het debat rondom Hirsi Ali speelt een algemene discussie over de rechten en plichten van immigranten. Daarin bestaan er veel misverstanden. Asielzoekers moeten worden beschermd, bijvoorbeeld. Maar zij mogen niet zelf het land uitzoeken waar dat zou moeten. Mededogen is vaak niet de beste drijfveer. Je bewijst immigranten geen dienst als je weinig van hen verwacht.

Beschouw immigratie niet als recht maar als voorrecht

Het uitgangspunt voor een nieuwe kijk op immigratie is het inzicht dat niemand een recht heeft om in andermans land te zijn, net zomin als iemand een recht heeft om in andermans huis te trekken. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens erkent zo'n aanspraak niet, evenmin als het gevestigd internationaal recht, het ontwerp voor een Grondwet van de Europese Unie, of enig ander gezaghebbend juridisch of ethisch lichaam. Toegang krijgen tot een land is een privilege dat iemand kan verdienen - en dat iemand zou moeten kunnen verdienen, onder redelijke voorwaarden, te stellen door de nieuwe gemeenschap waarbij hij zich wil aansluiten -, maar niet een recht dat alle vreemdelingen kunnen opeisen.

De mens gedijt als lid van een gemeenschap. Om zo'n gemeenschap op zijn beurt te laten gedijen, moeten de onderlinge banden levend worden gehouden, moet een beperkt maar belangrijk geheel van gemeenschappelijke waarden - of morele cultuur - in ere worden gehouden, en moet het besef van een gemeenschappelijk verleden en een gemeenschappelijke toekomst worden gecultiveerd. Dit geldt niet alleen voor kleine, plaatselijke gemeenschappen, maar ook voor landen, waaronder men doorgaans nationale gemeenschappen verstaat die de staatsvorm hebben aangenomen. Misschien zullen er ooit regionale gemeenschappen komen, zoals de EU, of zelfs een mondiale gemeenschap. Maar op dit moment en in de nabije toekomst zijn, wat immigratie betreft, landen vaak de meest relevante gemeenschappen.

Wie dat feit negeert, verwart het verlangen naar een betere wereld met de sociologische realiteit waarbinnen wij moeten functioneren, zelfs terwijl wij haar proberen te veranderen.

Echte asielzoekers zijn een uitzondering. Zij hebben recht op een toevluchtsoord. Dat recht is echter beperkter dan men veelal denkt. Asielzoekers kunnen - op grond van het internationaal recht en elementaire gerechtigheid - aanspraak maken op een veilig toevluchtsoord, en op bescherming wanneer hun leven wordt bedreigd of wanneer zij werkelijk op de vlucht zijn, omdat zij dreigen te worden gefolterd of anderszins te worden gemolesteerd. Dit recht behelst echter geen recht op een bepaald onderdak in een bepaald land. Echte asielzoekers moeten worden beschermd - ergens. (Ik spreek op morele gronden. Volgens sommigen eisen internationale verdragen dat wanneer asielzoekers bij een bepaald land aankloppen, zij in dat land onderdak moeten kunnen krijgen. Als dat zo is, zou over die verdragen opnieuw moeten worden onderhandeld.) Het is daarom legitiem om asielzoekers te vervoeren naar veilige toevluchtsoorden in ontwikkelingslanden, mits zij daar veilig zijn en die landen bereid zijn hun onderdak te bieden. Een bijkomend voordeel van zo'n beleid is dat het de motieven om een valse asielaanvraag in te dienen grotendeels zou wegnemen, en dat het zou verhinderen dat mensen wier aanspraken nog niet geverifieerd zijn, wortel schieten in een gemeenschap waarin velen van hen uiteindelijk niet zullen kunnen blijven. Bovendien zou zo'n beleid heel bevorderlijk zijn voor het verlenen van asiel aan wie het echt nodig hebben, want de grote daling van het aantal pseudo-kandidaten zou de verwerkingstijd zeer bekorten. Het zou er bovendien toe leiden dat de aanvragen veel minder vijandig en achterdochtig worden bekeken dan nu veelal het geval is, nu de meesten een aanvraag doen onder valse voorwendselen, en zo de goede naam schaden van hen die werkelijk in nood verkeren.

Als wij uit mededogen toelaten dat tal van pseudo-asielzoekers in een bepaald land blijven, dan zullen wij ten slotte mensen toelaten die niet tot de behoeftigsten behoren. Feitelijk dringen zij voor ten koste van vele anderen die ook toegang wensen en die het harder nodig hebben. Een land dient zijn humanitaire immigratie af te stemmen op de mate van zijn mededogen, maar uiteindelijk zullen er altijd veel meer mensen toegang vragen dan er kunnen worden toegelaten, en dus moeten er selectiecriteria voor de immigratie worden opgesteld en nageleefd. Die variëren sterk: sommige landen kijken naar vakbekwaamheid, andere naar de investeringsbijdrage; weer andere leggen de nadruk op gezinshereniging, en sommige op affiniteit: zo geeft Spanje de voorkeur aan immigranten uit Spaanstalige landen. De vraag welke criteria de juiste zijn, valt buiten het bestek van dit artikel.

Verder moet worden opgemerkt dat als het om humanitaire immigratie gaat, vaak veel meer mensen zouden worden geholpen als een bepaald land samen met andere landen druk zou uitoefenen op schurkenstaten - zoals Soedan - om al hun onderdanen menselijk te behandelen. Evenzo zou vooruitgang worden geboekt als de welgestelde landen de investeringen, kredieten en subsidies waarmee zij behoeftigen ondersteunen, aan de mensen zouden doen toekomen in hun land van oorsprong, in plaats van die mensen massaal naar elders over te brengen. De vooruitzichten van deze aanpak zijn des te gunstiger naarmate de culturele en educatieve verschillen tussen het land van oorsprong en het nieuwe vaderland groter zijn.

Ronduit gezegd: het getuigt niet van mededogen om iemand die nauwelijks vertrouwd is met een moderne werkomgeving en het moderne stadsleven - om maar te zwijgen van een democratisch bestel - uit een of ander afgelegen oord te halen en in een van onze steden neer te poten vanuit de zeer naïeve gedachte dat hij zich daar cultureel zal aanpassen en nog lang en gelukkig zal leven. Het is zelfs zo dat beide partijen hieronder lijden.

Kortom, hoe meer mededogen een land heeft, des te meer middelen zou het moeten steken in hulp aan de behoeftigsten, veelal in hun eigen land, en des te meer zou het ervoor moeten zorgen dat die mensen immigreren die werkelijk in nood verkeren.

Economische immigratie is iets anders. Omdat die immigranten worden gekozen op grond van kwalificaties als hun vermogen om een baan te vinden en te behouden (bijvoorbeeld doordat er vraag is naar hun vakkennis), hun leeftijd (bij voorkeur jong), hun hoge voorbereidingsniveau (zij zijn bijvoorbeeld geslaagd voor een taaltest) enzovoort, maken zij veel meer kans om goed te integreren in de economie en de samenleving van hun nieuwe land. Immigranten binnenhalen op humanitaire gronden, en dan aannemen dat zij zullen functioneren als economische immigranten, dat werkt meestal niet.

Maak immigranten id van de maatschappij

Er is geen enkele reden waarom een nationale gemeenschap minder van immigranten zou verwachten dan van kinderen die in het land zelf geboren zijn. Net zoals wij op school tests afnemen, zouden inburgeringstests moeten worden gebruikt om te bepalen of iemand zich de landstaal, de ethiek en vooral elementair respect voor de wet en wederzijdse verdraagzaamheid heeft eigen gemaakt. Wie voor deze tests zakt, kan het bijvoorbeeld vijf jaar later nog eens proberen, maar wie herhaaldelijk zakt, kan het staatsburgerschap of een verblijfsvergunning niet krijgen. Staatsburgerschap en verblijfsvergunning moeten ook worden geweigerd aan immigranten die zijn veroordeeld wegens een misdrijf (met name geweldpleging), die zich schuldig hebben gemaakt aan haatzaaien of die hun echtgenote of kinderen hebben mishandeld.

Je hoort wel dat vele immigranten een kansarme achtergrond hebben en dat het niet billijk is om aan hen allerlei eisen te stellen. Je bewijst immigranten echter geen dienst als je hen niet aanspoort om de taal te leren van de samenleving waarin zij willen worden opgenomen, de wetten van die samenleving na te leven, af te zien van geweld en zich de elementaire waarden eigen te maken waaraan alle leden van die samenleving worden geacht zich te houden. Als de immigranten zich niet in deze beperkte mate aan de plaatselijke cultuur willen aanpassen, zullen zij daarvan economisch, sociaal en politiek nadeel ondervinden, en hetzelfde geldt voor de samenleving die hen opneemt.

Willen inburgeringstests het beoogde effect hebben, dan moeten ze aan bepaalde voorwaarden voldoen. (a) De naturalisatie van immigranten mag niet afhangen van familiebanden, zoals in Duitsland tot het jaar 2000 het geval was, want dan is er geen voorbereiding nodig, waarmee een belangrijke prikkel tot sociaal gedrag wegvalt. (b) Om dezelfde reden mogen de eisen in deze tests niet zo hoog zijn dat maar heel weinig mensen werkelijk een kans maken om te slagen. Schoolniveaus kunnen als richtlijn dienen, bijvoorbeeld taalbeheersing op het niveau van groep 6, kennis van de geschiedenis op het niveau van groep 7, enzovoort. (c) Heel belangrijk is dat de tests erop selecteren of men bereid is de wet van het nieuwe vaderland te respecteren, en verdraagzaam te zijn jegens inwoners van dat land die een ander geloof aanhangen. Het ontwerpen van zo'n compatibiliteitstest zal niet eenvoudig zijn, maar is niet onmogelijk.

Creëer een mozaïek: diversiteit binnen eenheid

Naar mijn mening is de essentie van het hier gepresenteerde standpunt dat als immigranten akkoord gaan met wat je de maatschappelijke grondbeginselen zou kunnen noemen, zij op andere punten gerust hun eigen weg kunnen gaan. Over de vraag wat thuishoort in het gemeenschappelijke kader en wat in het domein van de diversiteit, valt te twisten, en het zal in de loop van de tijd veranderen ook. Duidelijk is in elk geval dat immigranten de grondwaarden van de samenleving moeten accepteren, zich aan de wet moeten houden, de taal of talen van het land moeten leren, en niet alleen moeten delen in de rijkdommen die het land van het verleden heeft geërfd, maar ook in zijn lasten, en in de eisen die de toekomst stelt.

Ik kan mij er bijvoorbeeld als immigrant in Amerika niet op laten voorstaan dat ik niets te maken heb gehad met de slavernij en dat ik me dus niet druk hoef te maken over compensatie voor onrecht uit het verleden, en tegelijkertijd wél aanspraak maken op de rechten die door de Founding Fathers zijn geïnstitutionaliseerd. Evenzo kan een nieuwe Duitser zich niet beroemen op de prestaties van culturele reuzen als Kant, Goethe en Bach, zonder te delen in de verantwoordelijkheid voor de holocaust.

Tegelijkertijd kan iedere groepering in de samenleving haar eigen subcultuur handhaven. De kookkunst, die op zich van beperkte betekenis is, kan dit mooi illustreren. Ooit was er een nationale keuken, al zijn er altijd ook variaties geweest, regionaal en door de tijd heen. Wij onderscheiden nog altijd nationale keukens, maar dankzij onder meer immigratie, globalisering en het toegenomen reisverkeer is op de meeste plaatsen in de gastsamenlevingen ook een grote verscheidenheid van andere culinaire tradities beschikbaar. Geen zinnig mens zal beweren dat daarbij iets verloren is gegaan en dat alle Britten - de oude en de nieuwe - per se lauw bier zouden moeten drinken bij hun shepherd's pie en gekookte groente. Kortom, de variatie in kookkunst vormt geen bedreiging voor onze eenheid, maar heeft ons leven juist verrijkt.

Verscheidenheid Binnen Eenheid (VBE) houdt niet in dat de identiteiten van het gastland allesoverheersend zouden moeten zijn. Wel roept VBE op tot gelaagde identiteiten en loyaliteiten. Een loyaliteitsconflict vormt hierbij de lakmoesproef: zullen Amerikanen uit Panama strijden voor de Verenigde Staten als de Verenigde Staten Panama binnenvallen, of zullen zij het recht eisen om zich in dat conflict afzijdig te houden? Zullen Turkse Duitsers zich wat nationaal beleid betreft laten leiden door Ankara of door Berlijn? Een dubbele nationaliteit is aanvaardbaar, als ze inhoudt dat iemand rechten heeft in twee landen en bij beide betrokken is - zolang er maar geen conflict is tussen de twee. Maar als regel zal een land in zo'n situatie eisen dat het als eerste aanspraak mag maken op loyaliteit.

Stel de school centraal als instrument tot eenheid

Een VBE-benadering op basis van het concept van buurtscholen stelt in het ideale geval het volgende:

Alle kinderen, ongeacht hun achtergrond, moeten dezelfde openbare scholen bezoeken en van elkaar leren, niet alleen in de les maar ook bij het sporten en andere sociale activiteiten.

Alle kinderen, ongeacht hun achtergrond, moeten 85 procent van de schooltijd dezelfde lessen volgen, Dat bevordert de eenheid. Die gemeenschappelijke 85 procent van het lespakket dient om te verzekeren dat alle leden van de volgende generatie in aanzienlijke mate worden gevormd door dezelfde lesstof, verhalen en normatieve inhoud.

Minderheden moeten een belangrijke inbreng hebben in ongeveer 15 procent van het onderwijsprogramma, bijvoorbeeld in de vorm van keuzevakken of keuzelessen, waarin leerlingen die zich speciaal voor een bepaald onderwerp, een bepaalde geschiedenis of traditie interesseren, op dat gebied verrijkt onderwijs kunnen krijgen.

Hoewel onderwijzers uit alle milieus welkom zijn, is de eis dat kinderen les moeten krijgen van onderwijzers die tot hun etnische groep behoren, niet verenigbaar met het VBE-model. De onderwijskrachten moeten door de onderwijsautoriteiten worden uitgekozen; zij moeten aan vakbekwaamheidseisen voldoen en mogen geen extremistische religieuze of ideologische standpunten uitdragen, of waarden die onverenigbaar zijn met de waarden van het basiskader.

De universele, op eenheid gerichte inhoud van het lesprogramma zou tot op zekere hoogte moeten worden aangepast om bijvoorbeeld meer aandacht te schenken aan de cultuur en de geschiedenis van minderheden.

Tweetalig onderwijs kan een plaats krijgen, maar alleen in een overgangsfase voorafgaand aan het gezamenlijke lesprogramma, en niet als een permanente vorm van onderwijs dat in feite langs etnische lijnen is gesegregeerd.

Bijzondere aandacht verdient het onderwijzen van waarden. Hoe belangrijk dit is, blijkt uit het feit dat vele van de meest omstreden kwesties in scholen - zoals het verwijderen van crucifixen, de regel dat islamitische meisjes badpakken moeten dragen of dat de sikhs hun traditionele tulbanden niet mogen dragen - verband houden met het geloof. In de facultatieve delen van het lesprogramma zou plaats moeten zijn voor lessen in godsdienst en seculier humanisme. In sommige landen is het bijzonder onderwijs langs religieuze lijnen verdeeld - er zijn katholieke, protestantse, joodse en seculiere bijzondere scholen. Die verdeeldheid is al zo lang en zo diep geworteld dat een verschuiving naar het ideale VBE-onderwijsbestel in de nabije toekomst moeilijk denkbaar is. Vooralsnog is het belangrijk te zorgen dat 85 procent van het lesprogramma van alle bijzondere scholen identiek is, dat alle bijzondere scholen hun leerlingen dezelfde gemeenschappelijke maatschappelijke grondwaarden bijbrengen, en dat op de bijzondere scholen geen extremisten de kans krijgen om te ageren tegen de grondwaarden van de samenleving. Om passend toezicht te verzekeren, is het het best als de bijzondere scholen toch door de overheid worden 'waargenomen', en niet echt door particuliere lichamen worden bestuurd. De overheid hoeft niet met ingrijpen te wachten, totdat de school een regel schendt, maar kan op alle genoemde terreinen proactief optreden.

Laat ruimte voor onvrede van minderheden

Het als gevolg van de Deense spotprenten weer opgelaaide debat maakt duidelijk dat enige verheldering nodig is. Volgens het hier gepresenteerde standpunt kan een land onmogelijk staande houden dat de wettige vrijheid van meningsuiting de publicatie van alle mogelijke beledigende teksten toelaat - terwijl hetzelfde land mensen gevangen zet die de holocaust ontkennen (Oostenrijk), een islamitische geestelijke op grond van zijn preken gevangen zet (Verenigd Koninkrijk), of anderszins haatzaaien verbiedt (zoals onder meer Duitsland en Canada doen).

Elementair consistent optreden is voor iedere ethische stellingname een minimumvereiste.

Ook hoeven wij niet vol afgrijzen te reageren wanneer vele moslims beledigd zijn, lucht geven aan hun ongenoegen, of zelfs beknotting van de vrijheid van meningsuiting eisen. Die moslims maken daarmee alleen maar gebruik van de vrijheid van meningsuiting! De beste manier om te reageren op beledigende vrije meningen is dan ook: tegenspraak. Volstrekt onaanvaardbaar is het als wie dan ook geweld gebruikt of sprekers bedreigt, ongeacht wat zij zeggen. De fatwa voor de executie van Salman Rushdie, de prijs op het hoofd van cultuurredacteur Flemming Rose, die de omstreden spotprenten in Denemarken heeft laten drukken, en niet te vergeten de moord op de Nederlandse filmer Theo van Gogh - dat alles overschrijdt grenzen op een manier die geen beschaafde samenleving kan dulden.

VBE komt tegemoet aan het gevoel van de overgrote meerderheid van de burgers in Europa en in vele andere landen, van Japan tot Peru, dat immigratie een bedreiging vormt voor de nationale eenheid en de heersende morele opvattingen. Tegelijkertijd omvat VBE ook het denkbeeld dat immigranten, mits zij de basisvoorwaarden in acht nemen, gerust ook - graag zelfs - bijzondere kenmerken mogen behouden.

Socioloog, universiteitshoogleraar aan George Washington University in Washington. In 2004 verscheen van hem 'From Empire to Community: A New Approach to International Relations'