Politiek leert leven met 'nee' tegen Europa

Een enquête is het restant van wat een brede maatschappelijke discussie over Europa moest worden. De regering ziet vooral de zonzijde van de resultaten.

Bijna een jaar nadat, op 1 juni 2005, de Nederlandse kiezer met zijn 'nee' bij referendum een bom onder het Nederlandse Europa-beleid had gelegd, lijkt de Haagse politiek geleerd te hebben met dit gegeven te leven. Minister Bot (Buitenlandse Zaken) en staatssecretaris Nicolaï (Europese Zaken) maakten er het beste van, toen zij gisteren de resultaten van nederlandineuropa.nl presenteerden. Die enquête op een website van de regering is het restant van wat eens een gezamenlijke, door parlement en regering samen georganiseerde 'brede maatschappelijke discussie' naar aanleiding van de verwerping van de Europese Grondwet had moeten worden - een plan dat sneuvelde in politieke onmin.

Waar het maar even kon, bezagen de bewindslieden de enquête-resultaten gisteren van de zonzijde. Wie een jaar geleden zou hebben geopperd dat slechts 65 procent van de Nederlanders het lidmaatschap van ons land van de Europese Unie 'een goede zaak' vond, zou vermoedelijk voor sinistere cynicus zijn uitgemaakt. Thans evenwel zag Bot in dit cijfer een aanwijzing dat het Europa-beleid in principe brede steun geniet. En dan was er het aantal deelnemers aan de enquête: maar liefst 97.467 mensen hebben de omvangrijke vragenlijst ingevuld.

Een duidelijk teken, dit grote aantal, dat de burger 'niet Europa-moe' is, betoogde Nicolaï. Aan de glans van deze constatering wordt enigszins afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de regering vóór de enquête niet wilde zeggen op hoeveel deelnemers men had gerekend: enkele tienduizenden, zei onderzoeker Hans Anker nu, enigszins vaag.

Neemt niet weg dat de enquête, nog altijd volgens Anker, een representatief beeld geeft van wat Nederlanders over Europa denken, meer dan enige telefonische enquête kan doen. De gegeven antwoorden zijn daartoe, volgens de meest jonge inzichten van enquête-wetenschap, gecorrigeerd met demografische gegevens. De vooraf wel geuite vrees, dat de website en de enquête 'gekaapt' zouden worden door verstokte tegenstanders van Europa, uit SP-kring bijvoorbeeld, is ongegrond gebleken.

De verkregen resultaten sluiten soms wonderwel aan bij gevolgtrekkingen die het kabinet reeds vorig jaar uit de losse hand en op onwetenschappelijke wijze uit het 'nee' had getrokken. Een meerderheid vindt bijvoorbeeld dat de veranderingen in de Europese Unie te snel gaan (53 procent) of verlangt er naar meer betrokken te worden bij Europese besluitvorming (ook 53 procent).

Ook het kabinetsstandpunt dat er weliswaar binnen een afzienbare toekomst niet moet worden gedacht aan een nieuwe Europese Grondwet, maar dat dit verdergaande Europese integratie op concrete beleidsterreinen niet in de weg hoeft te staan, wordt door de enquête-uitslagen ruimschoots ondersteund: 59 procent wil meer economische samenwerking, 69 procent een gemeenschappelijk Europees asielbeleid.

Waar volk en regering echter resoluut uit elkaar gaan, is uitbreiding van de Unie in de toekomst. Zwitserland en Noorwegen zouden welkom zijn, als ze dat zouden willen, maar de Nederlanders zien in meerderheid geen heil in uitbreiding van de Europese Unie met Turkije of Balkan-landen. Die afkeer strekt zich zelfs uit tot Roemenië en Bulgarije - landen waarvan inmiddels zeker is dat zij in 2007 of 2008 tot de EU zullen toetreden. Het verzet is het grootst bij Turkije: 68 procent is tegen een Turks lidmaatschap, en zelfs als zeker zou zijn dat Turkije aan alle strenge criteria voor toetreding zou voldoen, is 52 procent nog altijd mordicus tegen.

Minister Bot liet weten op praktisch gebied weinig te kunnen aanvangen met deze resultaten: het lidmaatschap van Roemenië en Bulgarije is immers een 'gelopen race' en wat betreft Turkije opperde hij om over acht jaar of zo, als de onderhandelingen tussen de EU en Turkije wat verder zijn, nog maar eens zo'n enquête te houden.

De enquête-resultaten en de gisteren eveneens gepresenteerde, lijvige Kabinetsanalyse Europese bezinningsperiode zullen, vóór de volgende Eurotop in juni, uitvoerig in het parlement worden besproken. Dat de ontsteltenis over de referendum-uitslag van een jaar geleden in de Haagse politiek plaats heeft gemaakt voor een zeker flegma, heeft inmiddels vooral te maken met externe factoren.

Maandenlang bestond in Den Haag de vrees, dat andere landen waar de Europese Grondwet wél is geratificeerd, op de top in juni een poging zouden doen het in Nederland en Frankrijk verworpen document alsnog, mogelijk in licht gewijzigde vorm, er door heen te krijgen. Maar in de afgelopen weken heeft bij de Europese Commissie en een meerderheid van lidstaten het inzicht veld gewonnen, dat het daarvoor nog te vroeg is.

Zelfverzekerd zegt de kabinetsnotitie dan ook dat 'dit kabinet' niet opnieuw de Europese Grondwet ter ratificatie zal voorleggen. Volgens beproefd Haags recept is daarmee weer een probleem over de verkiezingen van 2007 heen getild en op het bordje van een volgend kabinet gelegd.

www.minbuza.nl