'Overaanbod is inherent aan kunst'

In de theaters heerst overaanbod en krimpende vraag naar gesubsidieerd theater. Een debat gisteren in Rotterdam bracht vooral relativering.

'Ik kom uit een tuindersfamilie; dáár is pas overaanbod', zegt regisseur Paul Koek: 'Tuinders rijden dan gewoon naar Duitsland. Daar moeten wij ook wezen.'

Koeks visie op het vermeende overaanbod in de podiumkunsten was een van de vele relativerende geluiden die gistermiddag te horen waren op het debat 'De podia en het aanbod' in de Rotterdamse Doelen, georganiseerd door vakbond Kunsten '92. Aanleiding was het alarmerende feit dat er steeds meer voorstellingen worden gemaakt, en dat de theaters er steeds minder willen tonen. Steeds meer aanbod, steeds minder vraag.

De inleiding van het debat werd verzorgd door de econoom Pim van Klink die in zijn boek Kunsteconomie in Nieuw Perspectief aantoont dat overaanbod inherent is aan de kunst, en dat deze zich daarom ook moeilijk in een economisch kader laat vangen. Volgens Van Klink komt het aanbod in de kunst niet voort uit de behoefte van het publiek, maar uit de behoefte van de kunstenaar, die er altijd naar zal streven zoveel mogelijk te produceren, ongeacht de belangstelling.

De belangrijkste relativering gaf Hans Onno van den Berg, directeur van de VSCD (Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties), die stelde dat het overaanbod vooral bij de kleine gezelschappen heerst, en niet in het schouwburgtheater. Terwijl daar juist het probleem heerst van het teruglopende marktaandeel der gesubsidieerden.

Daarover ging het dan ook eigenlijk deze middag: schouwburgdirecteuren programmeren tegenwoordig liever iets anders dan gesubsidieerd toneel (van de jaarlijks 34.000 voorstellingen en concerten in VSCD-zalen, is slechts 15 procent gesubsidieerd) omdat ze van de gemeentes volle zalen moeten trekken. Het debat was bedoeld om podia en gezelschappen dichter tot elkaar te brengen. Want tussen podia, producenten en overheid, zo beklemtoonden verschillende sprekers, heerst veel achterdocht. Eén van Van den Bergs aanbevelingen was om het programmeringsysteem soepeler te maken, zodat hits langer doorgespeeld - en flops sneller afgevoerd kunnen worden.

Verder vonden veel sprekers het systeem der rijkssubsidies niet deugen; te veel bureaucratie, te veel geldstromen. Van Klink voegde daar nog een financieel argument aan toe. De kosten van subsidies aanvragen, verwerken en de juridische nazorg, kosten de overheid en de gezelschappen jaarlijks 15 miljoen euro. Van Klink pleitte ervoor dat het rijk de kunstsubsidies geheel zou uitbesteden aan een naar het Britse Arts Council gemodelleerd superfonds.

De nota Verschil maken van staatssecretaris Medy van der Laan (Cultuur), waarin zij aankondigt de subsidieaanvragers te gaan categoriseren, werd een 'pleister op een houten been' genoemd. Het zou alleen maar tot nog meer papierwerk leiden. Van den Berg had een onverwacht compliment voor Van der Laan: 'Zij heeft de ambitie om als volstrekt inhoudsloze staatssecretaris de geschiedenis in te gaan, en ik denk dat ze daarin zal slagen. En dat we haar daar uiteindelijk voor zullen prijzen.'

Net als Van den Berg vonden veel sprekers dat een hervorming van het systeem wenselijk was, maar dat een meer inhóudelijk kunstbeleid alleen maar tot meer ellende zou leiden.

    • Wilfred Takken