Eeuwenlang buren

Christenen waren beter geïntegreerd in de samenleving van het keizerlijke Rome dan de christelijke historiografie suggereert.

Gangen met armengraven in de vroegchristelijke Callixtus catacombe, uit de vierde eeuw na Christus. Foto Leonard v. Rutgers

Waar nu de basiliek van St. Pieter, de grootste kerk van Rome, staat, lag in de eerste drie eeuwen na Christus een 'heidense' necropool (dodenstad). Die bestond uit straatjes met columbaria - bouwwerken met nissen waar de as van gecremeerde Romeinen werd bijgezet - en mausolea, bovengrondse grafkamers met zowel sarcofagen als urnen. Deze necropool was tot het begin van de vierde eeuw in gebruik. Toen gaf Constantijn, de eerste christelijke keizer (306-337), opdracht tot de bouw van een basiliek. De grafgebouwtjes werden volgestort met aarde en daartussen werden de funderingen gelegd van de St. Pieter. Volgens de kerkelijke overlevering lag hier ergens de apostel Petrus begraven, maar dat is onbewezen. Archeologisch onderzoek wijst wél uit dat in deze dodenstad in de tweede en derde eeuw ook christenen werden bijgezet.

Dat is vreemd, want uit de geschriften van kerkvaders maakten generaties godgeleerden op dat christenen van meet af aan op ruime afstand van 'heidenen' begraven werden, in afwachting van hun verrijzenis op de jongste dag. Dat principe, en de door de katholieke kerk later stevig in de verf gezette vervolgingen, zouden de redenen zijn geweest waarom de christenen in de keizertijd 'ondergronds' gingen en hun doden begroeven in onderaardse catacomben.

Kerkvaders en andere vroeg-christelijke auteurs zijn, zo blijkt nu, slecht gelezen. Zij verzetten zich niet tegen het begraven van geloofsgenoten tussen niet-christenen, maar tegen heidense grafrituelen en het luxe vertoon in tombes van gefortuneerde Romeinen. Bovendien was ondergronds begraven geen christelijke uitvinding. Dat raakte in de tweede eeuw veel algemener in zwang, ook bij polytheïstische Romeinen. De catacomben groeiden vanuit ondergrondse grafkamers (hypogea) van welgestelde families. Het unieke van die catacomben was niet dat ze onder de grond lagen, maar het element van armenzorg. De christelijke geloofsgemeenschap - eerst families, later de kerk - zorgde voor de begrafenis van minder bedeelde geloofsgenoten. Andere gemeenschappen deden dat niet.

Dit valt allemaal te lezen in het boek Christenen en de dood - Een studie naar het ontstaan van de christelijke catacomben te Rome, waarop de Belgische archeoloog Renaat Jonckheere vorige week in Utrecht promoveerde. Jonckheere werkte vier jaar lang stapels opgravingsverslagen door, onderzocht talloze Romeinse grafconstructies en bestudeerde literaire bronnen om te zien of er een evolutie is geweest van heidense grafgebruiken naar catacomben. Zijn conclusie luidt dat de christelijke catacomben 'zijn geënt op, maar zich verwijderden van' de heidense graven.

arme broeders

Jonckheere vond grote verschillen in de manier waarop heidenen en christenen aankeken tegen dood en begraven. Rijke christenen ruimden in hun familie-hypogea plaats in voor arme broeders en zusters des geloofs, ook al waren zij geen verwanten of gevolg. Zo kregen deze grafkamers zijgangen. Die waren sober, zonder uitbundige decoraties. Toen de geloofsgemeenschap groeide, werden deze hypogea de kernen van ingewikkelde netwerken van gangen met grafnissen. Deze christelijke catacomben ontstonden in de derde eeuw, vond Jonckheere.

Zijn onderzoek werpt nieuw licht op de positie van christenen in het Rome van de keizertijd. Zij waren veel meer geïntegreerd in deze samenleving dan de christelijke historiografie, met zijn eerbiedige aandacht voor heiligen en martelaren, suggereert. De christenen waren geen gesegregeerde, permanent vervolgde minderheid, die zich moest schuilhouden, maar ze leefden samen met 'heidenen' en lieten zich twee eeuwen lang naast hen begraven.

Het proefschrift begint met een historisch overzicht van het catacombenonderzoek. Dat is sinds het prille begin, in de 16de eeuw, gekleurd door contrareformatorische geloofsijver, vervolgingsromantiek en martelarenverering. Jonckheere vertelt in een telefonische toelichting: Eeuwenlang hield men vast aan de hypothese dat de catacomben wel christelijk moesten zijn. Ik heb bewezen dat dit ook zo is, maar dan op basis van archeologisch materiaal en primaire bronnen. Vroeger volgde men een andere logica. Christenen, vond de katholieke kerk, kunnen niet begraven zijn geweest tussen heidenen, dus zij moeten van meet af aan zijn bijgezet in eigen begraafplaatsen. Zo zijn forse dateringsfouten gemaakt. De Italiaanse classicus Giuseppe Marchi (1795-1860) schreef dat de catacomben zijn ontstaan in de Apostolische Periode (de tijd van de apostelen Petrus en Paulus, in de eerste eeuw na Chr.). Hij zat er een goeie tweehonderd jaar naast.'

in pace

De christelijke lijkbezorging in Rome, zegt Jonckheere, profileerde zich heel geleidelijk ten opzichte van de heidense praktijk. Het duurde twee eeuwen voor christelijke graven eruit sprongen. Er is lange tijd geen typisch christelijke beeldtaal. Inscripties bevatten dan nog geen uitdrukking als

Volgens Jonckheere hadden heidenen en christenen niet zoveel problemen met elkaar. Kerkvaders schreven over wederzijdse aversie, maar het archeologische materiaal en de geschreven bronnen laten zien dat de soep niet zo heet geheten werd als zij hem opdienden. Cyprianus berispt in een brief ene Martialis omdat hij via een heidens collegium zijn zonen heeft laten bijzetten, maar verderop blijkt dat hij vooral bezwaar heeft tegen de rituelen. Die verenigingen deden veel meer dan leden begraven. In de statuten gaan de meeste regels over sociale activiteiten: op de zoveelste van die en die maand vieren we het feest van god zus of zo en gaan we voedsel uitdelen en feestvieren. Christenen konden gewoon lid worden.'

Dat de lijkbezorging in Rome ondergronds ging, hing samen met ruimtegebrek. Het areaal dat in de omgeving van Rome beschikbaar was voor bovengronds begraven was geslonken door de bouw van villa's, het optrekken van aristocratische mausolea, de groei van eenvoudige dodenakkers en omdat een strook van 2 tot 3 kilometer was gereserveerd voor de fruit- en groenteteelt. Zo stegen de grondprijzen.

Waarom heidense Romeinen juist in deze tijd van grondschaarste overgingen van cremeren naar begraven, blijft een raadsel. Jonckheere: A.D. Nock noemde dit in de jaren dertig een 'modeverschijnsel'. De motieven zijn moeilijk te achterhalen, maar ik ben het met Nock eens dat je niet moet zoeken naar religieuze redenen. Laat staan dat de christenen daar invloed op hadden. Die waren toen nog te gering in aantal.'

Jonckheere's onderzoek maakt deel uit van een door NWO gefinancierd project: The Rise of Christianity. Projectleider is Jonckheere's promotor, de historicus Leonard Rutgers. Hij is hoogleraar aan de Universiteit Utrecht met als leeropdracht 'de studie van de late oudheid, met name de interactie tussen joden, christenen en heidenen'. In zijn oratie op 3 maart 2004 vatte Rutgers de centrale vraag van dit onderzoek samen: 'Hoe is de overgang van een polytheïstisch wereldrijk naar een gechristianiseerde samenleving in zijn werk gegaan?' Hij noemde de catacomben van Rome 'tijdcapsules': 'Wie erin afdaalt, wordt geconfronteerd met de materiële omgeving en de denkwereld van de laat-antieke mens. Zij vormen een dwarsdoorsnede van de toenmalige Romeinse maatschappij.'

Dat de vroege christenen deelnamen aan die maatschappij staat wel vast, vertelt Rutgers daags na de promotie. De geloofsovergang was een heel geleidelijk proces. In de catacomben vind je over een lange periode christelijk en heidens iconografisch materiaal naast elkaar. Er waren families waarvan sommigen zich al bekeerd hadden en anderen niet. Kennelijk leidde dat niet tot verbreken van familiebanden. De sociale acceptatie van het nieuwe geloof was groter dan menigeen denkt.'

Rutgers ziet in dit verband een interessante overeenstemming tussen verschillende disciplines. Uit sociologisch onderzoek naar bekeringen blijkt dat die vaak lang duren. Als dit proces, dat jaren in beslag kan nemen, is afgesloten, slaat de bekeerde het op in zijn geheugen als een donderslag bij heldere hemel. Dit is een vorm van zelfrechtvaardiging: langdurig wikken en wegen kan worden uitgelegd als minder authentiek. Dergelijke moderne bevindingen stroken met het beeld van het vroege christendom. Mensen die het proces van geloofsovergang hebben doorgemaakt en er vervolgens op terugkijken, vertellen, bijvoorbeeld, dat zij onder een olijfboom zaten en daar, zoals Paulus op weg naar Damascus, plotseling het licht zagen. Dit geromantiseerde beeld van persoonlijke bekering is geprojecteerd op een heel tijdperk. Het ontstond in de tweede eeuw en vanaf de vijfde eeuw wordt het in de christelijke literatuur een ideaalbeeld.'

heiligenlevens

In dat overgeleverde beeld passen ook de gruwelverhalen over christenvervolgingen. Die hebben zich vastgezet in het collectieve geheugen en worden bevestigd door populaire heiligenlevens, romans en - later - films. Rutgers: Dat beeld van christenen die

Aan de ene kant is er de realiteit van al die mensen die met elkaar leven, die zich heel langzaam bekeren en wonen in gemengde families. Tegelijkertijd wil het jonge christendom zich presenteren met een heel eigen identiteit. Dat kan alleen als je duidelijke scheidslijnen trekt. En dat is des te meer nodig als er sprake is van integratie. Dit leidde niet tot sociale afzondering, maar kwam vooral tot uiting in het woordgebruik, in polemieken, in het schelden op heidenen, het ophemelen van martelaren en verheerlijking van het lijden in het algemeen. Dat verklaar je met het proces van identiteitsformatie.'

In zijn oratie noemde Rutgers Rome een 'multiculturele samenleving'. Die kenschets komt dichter bij de historische werkelijkheid dan het piëteitsvolle christelijke beeld. Dat is heel onnatuurlijk; zo werkt geen enkele samenleving. Er zijn overeenkomsten tussen het Rome van de keizertijd en onze hedendaagse maatschappij. Als je disciplines als sociologie, culturele antropologie en sociale psychologie bij het onderzoek betrekt, begrijp je menselijk gedrag veel beter. Geschiedenis is uiteindelijk de studie van menselijk gedrag, en archeologie zou dat ook moeten zijn.'