Een paardenkar door het land slepen

In de hoek van de pastelgroen betegelde ziekenhuiskamer waar ik voor mijn schouder behandeld wordt staan tegen een stalen kast tientallen krukken en wandelstokken. Ze doen denken aan de achtergelaten protheses bij de bron in Lourdes die geacht worden te bewijzen dat de verschijning van Maria de 'Onbevlekte Ontvangenis' geen hersenschim was van de 14-jarige Bernadette Soubirous.

Wat mij betreft is de topzin in Tommy Wieringa's roman Joe Speedboot: '... want sommige mensen zien nu eenmaal liever wonderen dan wilskracht.' Hoewel het idee van een wonder appelleert aan de gemakszuchtige kant van mijn karakter geloof ik uiteindelijk meer in wilskracht. Ik zie de verzameling achtergelaten krukken en stokken in de rommelige kamer dan ook als een aanmoediging tot nijver oefenen.

Mijn vaste mevrouw was vanmiddag afwezig. Gewoonlijk word ik apart behandeld. Nu werd ik een ander vertrek binnengeroepen. 'Frederik úr!' klonk het, de naam waaronder ik in het ziekenhuis bekend sta: Heer Frederik. In de kamer waar ik terecht kwam was het een drukte van belang. Er stonden drie bedden met op elk een patiënt. In het eerste bed een dikke man met zware wenkbrauwen. Hij lag op zijn rug en droeg een korte broek over een witte, tot aan zijn middenrif opgetrokken, onderbroek. Onder begeleiding van een tonronde mevrouw moest hij om beurten één voet een decimeter boven het bed heffen.

Dat was teveel gevraagd.

In het tweede bed lag een vrouw wier nek gemasseerd werd. De vrouw was geheel gekleed, op haar schoenen na. Ze had haar ogen gesloten en een verheerlijkte glimlach rond de lippen. Tussen de twee bedden zat een man met ontblote borst, die een electro-behandeling onderging. Ik zag de machine niet, alleen zijn vrolijke hoofd en Chiel Montagne-snor.

Het bed achter mij - ik werd in een kleine ruimte op een draaibare kruk geplaatst - was bezet door een oude man wiens zeer dunne linkerbeen werd gemasseerd. Over zijn enkel stonden twee vrouwen gebogen, allebei omvangrijk, in zo'n doorzichtige witte ziekenhuisbroek. Alle dames die de ledematen een beetje heen en weer zaten te dirigeren hadden een montere uitstraling. Alle revaliderenden hadden hun schoenen uitgetrokken.

Mij werd opgedragen diverse zwaaioefeningen met mijn armen te maken. Om niet voor de Hollandse Benny Hill versleten te worden moest ik daarbij steeds verzitten - de ene keer raakte ik met mijn uitstrekkende hand de billen van de dikke blonde zuster achter mij, de andere keer de heupen van de vrouw wier nek gemasseerd werd en bij de derde oefening de borsten van het meisje dat me instructies gaf.

De oefeningen werden door de patiënten met zo'n minimum aan inspanning gedaan en er werd ondertussen zoveel geouwehoerd dat ik het idee kreeg dat men hier louter voor de gezelligheid bijeenkwam. Men informeerde hoe ik aan de blessure kwam. De gehele kamer pauzeerde een moment. 'Lovagolni', zei ik, wat Hongaars is voor paardrijden. Het woord voor ongeluk wist ik niet. Maar het was goed voor de waardering van alle aanwezigen. En terecht, want laten we wel wezen: dat is de manier waarop een ouwerwetse Hongaar een beschadiging oploopt.

Temidden van deze stadsmensen werd ik door deze mededeling ineens de paardenman, terwijl ik eigenlijk niet zo'n afficionado ben. Mijn echtgenote voelt grote passie en liefde voor die beesten en ik voor haar. Daarom klim ik op de rug van paarden. Als zij van kamelen hield zou ik op een kameel door Somogy rijden. Berglama, giraf, dwergezel, ik zou haar volgen.

Het mooie was dat ik door de fysiotherapeute werd aangemoedigd met dezelfde woorden waarop mijn echtgenote op snikhete zomerdagen de koetspaarden aanspoort: 'Tovább, tovább.'

Vooruit, vooruit. Alsof het niet genoeg was dat ik met geweld van een paard was geworpen, ter plekke nu verder als paardenvriend door het leven moest, werd ik nu ook nog eens als een knol aangesproken.

Eerst moest ik een slap geel balletje met twee handen vanuit de lucht langzaam naar mijn voorhoofd brengen, en terug. 'Tovább, tovább.' Ik sloot niet uit dat ik bij goede uitvoering beloond zou worden met een suikerklontje. Na een tijdje haalde de hulpfysiotherapeute, de hele dikke met het vriendelijke gezicht en de doorzichtige broek met daaronder de witte tanga, een houten stang met aan beide uiteinden een houten bol. Dat ding woog niets. Ik moest het boven mijn hoofd heffen. 'Tovább, tovább.' Voor mijn bijziende medepatiënten leek ik misschien de sterke man in het circus, zelf was me duidelijk dat dit niet erg opschoot.

Bij het klimrek in het aanpalende gymzaaltje stond een vrouw twee verticaal hangende linten uit elkaar te duwen. Op een fiets bij het raam zat een man met naar beneden getrokken mondhoeken de pedalen rond te trappen, héél langzaam, als een onwillige puber. Hij keek alsof hem groot onrecht werd aangedaan. Dobberend in dit goedmoedig lamlendige gezelschap werd ik vrolijk en somber tegelijk. Op deze manier kwam het niet goed, met mij niet en met niemand niet. Diezelfde middag zocht ik elders een arts op, die na een korte inspectie zei: 'Ze hebben de hele spiergroep bij je schouder doorgesneden. Afhankelijk van hoe hard je traint zal herstel tussen zes maanden en anderhalf jaar kosten.'

Bij thuiskomst las ik een krantenbericht dat me opbeurde. Er zijn wel degelijk hedendaagse Hongaren die me tot voorbeeld kunnen strekken. 'Man sleept paardenkar dwars door Hongarije', luidde de kop. 'Een 59-jarige man wilde bewijzen dat hij nog altijd sterk en fit was en heeft een kar 680 kilometer dwars door Hongarije getrokken. László Aranyi begon zijn tocht in Zahony aan de oostelijke grens van Hongarije en sleepte de paardenkar in 22 dagen naar Szombathely aan de westelijke grens.'

Zijn commentaar luidde: 'Ik zag op tegen het 60 worden en wilde laten zien dat ik nog steeds zo sterk als een paard ben.'

jaap@scholten.hu