De rechter moet zeggen: dit bewijs pik ik niet

Rechtspsycholoog Willem Albert Wagenaar is in rechtszaken vaak 'de deskundige'. Hij ziet hoe de waarheidsvinding willens en wetens hapert. 'Ik ga niet zitten gokken, dat moet de rechter zelf maar doen.'

Professor Willem Albert Wagenaar: „Ik doe geen uitspraken over personen in een proces. Die zie ik niet en spreek ik niet.” Foto Vincent Mentzel Prof.Dr.Willem A.WAGENAAR,psycholoog (1941).VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Zeist,15 mei 2006 Mentzel, Vincent

Een man belt vanuit de gevangenis met Willem Albert Wagenaar, hoogleraar experimentele psychologie in Leiden. Hij vertelt dat hij ten onrechte veroordeeld is voor de moord op zijn vrouw en vraagt Wagenaar om hulp. Wagenaar: 'Ik zeg: heeft u het niet gedaan dan? Jawel, zegt de man. Maar dat kon de rechter niet weten. Er was een getuige, geen vrind van mij en die loog.' Het bewijs klopte niet en dus vindt hij dat hij ten onrechte in de gevangenis zit. Wagenaar kijkt triomfantelijk en zegt: 'Die man hééft natuurlijk gelijk.'

Willem Albert Wagenaar (64) is gespecialiseerd in de werking en betrouwbaarheid van het geheugen. Zeker vijftig keer per jaar wordt hij als deskundige gevraagd in rechtzaken. Hij trad op in grote zaken: Iwan Demjanjuk, de man die overlevenden van Sobibor dachten te herkennen als kampbeul. Jolanda uit Epe die beweerde dat ze als kind door haar ouders was mishandeld en verkracht en dat haar baby's waren vermoord. De mannen uit Putten die acht jaar vastzaten voor de moord op Christel Ambrosius en toch werden vrijgesproken.

Maar ook bij kleine zaken, die de krant niet halen, wordt Wagenaar als deskundige gevraagd. In zijn laatste boek Vincent plast op de grond. Nachtmerries in het Nederlands recht beschrijft hij elf van dat soort strafzaken, waarin politie, justitie, de rechter of alle drie fouten maakten met grote gevolgen voor de vervolgden. Nachtmerriezaken, noemt hij die zaken. Stuk voor stuk bewijzen ze de ernstige, structurele tekortkomingen in de Nederlandse rechtspleging. Het zijn dezelfde tekortkomingen, zegt hij, die eens in de zoveel tijd leiden tot spectaculaire affaires, zoals in de Schiedammer Parkmoord of de Puttense moordzaak.

U heeft kritiek op politie, justitie en de rechters. Maar richten deskundigen niet evenveel schade aan?

Zeker. Daarom laat ik in mijn boek mijn originele rapporten zien. Als u een fout ontdekt, hoor ik het graag. Ik vind, de rechter is de laatst verantwoordelijke. Ik herinner me het Zwarte-magieproces, daarin werd iemand veroordeeld voor toveren. De rechter benoemde twee deskundigen die mochten vertellen dat zwarte magie in Suriname heel goed werkt. Natuurlijk zijn die deskundigen niet lekker, maar dat kan je hen niet kwalijk nemen. De rechter vraagt én accepteert hun advies.

U bent psycholoog. Kunnen psychologen wel wetenschappelijke uitspraken doen?

Psychologie is geen wiskunde, dat klopt. Ik beperk me tot die onderwerpen in de psychologie die wetenschappelijk onderbouwd zijn. Ik hou me verre van de softe kant van de psychologie.

Als mijn oordeel wordt gevraagd, zeg ik: dit en dit vind ik in ons onderzoek. Ik doe geen uitspraken over personen in een proces. Die zie ik niet en spreek ik niet.

Maar er wordt wel gevraagd naar het oordeel van 'softe' psychologen.

Aan de lopende band wordt aan psychologen gevraagd om iets te zeggen over de toerekeningsvatbaarheid van verdachten of de betrouwbaarheid van getuigen. In het Pieter Baan Centrum doen psychologen en psychiaters niet anders dan oordelen over de persoon van de verdachte. Hoe wetenschappelijk is dat eigenlijk? Ze zijn toch niet Onze-Lieve-Heer op aarde?

Dus u wordt nooit om dat soort oordelen gevraagd?

Natuurlijk wel. Zeker vijftien keer per jaar wordt me gevraagd de banden te bekijken van studioverhoren. Meestal van kinderen die seksueel zijn misbruikt. Rechters moeten die banden zélf bekijken, maar minder dan één procent doet dat. Ze hebben geen zin om al die verhalen met poep en plas en piemels aan te zien. Dus hebben ze een briljante oplossing: ze vragen Wagenaar.

En dan moet ik zeggen of de opgenomen aangifte betrouwbaar is. Daar doe ik niet aan mee, ik ga niet zitten gokken, dat moet de rechter zelf maar doen.

In de Schiedammer Parkmoord kreeg de kinderpsycholoog Ruud Bullens veel kritiek. Hij zou het mede-slachtoffer Maikel onvoldoende hebben beschermd tegen de harde verhoormethoden van de politie.

'Ik wil niet te veel op die zaak ingaan, ik vind dat op Bullens karaktermoord is gepleegd. Bullens werd gevraagd door de politie om Maikel bij te staan bij het verhoor. In een later stadium is hij gevraagd Maikel psychologisch te onderzoeken om vast te stellen of zijn verklaringen betrouwbaar waren. Maar er zijn geen valide onderzoekstechnieken om de betrouwbaarheid vast te stellen van verklaringen van slachtoffers. Want hoe doe je dat? Door te praten met die jongen. En dan? Dan komt er een klinisch oordeel, waarbij de clinicus zelf het meetinstrument is en zijn gevoelens over die jongen maatgevend zijn voor het oordeel. Ik vind dat glad ijs.

Dan kun je toch beter al die deskundigen uit de rechtszaal houden?

Er bestaat geen wet die zegt dat rechters er geen gebruik van mogen maken.

Als het echt zo vaak misgaat als u beweert, waarom schrijft u dan nu pas dit boek?

Willem Wagenaar, doorgaans gekleed in pak met vlinderdas maar nu in vrijetijdskleding, springt bijna van de bank in zijn woonhuis in Zeist. 'Nu pas? Ik schreef in 1992 met collega Crombag Dubieuze zaken. Daarin schreef ik ook al hoe mis het gaat bij justitie en de rechtbanken. Het boek leidde bij juristen tot massale ontkenning. Wat wij beweerden, was onzin. Bert van Delden, nu voorzitter van de Raad van de Rechtspraak, en toen nog gewoon rechter zei tegen me dat het onzin was om kritiek op de rechters te hebben. Dat wij er niks van begrepen. Dubieuze zaken was een wetenschappelijk boek. Nu wilde ik een publieksboek maken. Er is in de afgelopen vijftien jaar niks veranderd, ik wil afdwingen dat er wel wat verandert. Ik heb het publiek ongerust willen maken, misschien dat dát de gemoederen in beweging brengt.'

De timing van het boek is goed, zo kort na de rel over de Schiedammer Parkmoord.

'Het plan voor een publieksboek was er eerder dan die rel. Het verbaast me dat iedereen zo onthutst was toen bij de Parkmoord de verkeerde man veroordeeld bleek voor de moord op Nienke. De Schiedammer Parkmoord was niks bijzonders. Politie, justitie en de rechters hebben precies die fouten gemaakt, die ze altijd al maken, en waarvoor rechtspsychologen ze al jaren waarschuwen.'

Maar na de Schiedammer Parkmoord heeft het college van Procureurs Generaal onderzoek laten doen door de commissie-Posthumus. En er is toch toegegeven dat er grote fouten zijn gemaakt?

'Ik vind het rapport van de commissie-Posthumus niet goed. De fouten bij de opsporing en de vervolging worden te veel afgedaan als incident en de structurele fouten worden niet aangewezen. Het kan dus zó weer gebeuren.

Welke structurele fouten bedoelt u?

'De fundamentele houding van politie en justitie bij de waarheidsvinding moet zijn: ik heb een hypothese over wie het heeft gedaan en die ga ik proberen te verwerpen. De later vals gebleken bekentenis van Cees B. had niet als bewijs mogen dienen, maar had uitgangspunt moeten zijn van verder onderzoek. Wat hij verklaarde kón niet kloppen. De officier van justitie had als een wetenschapper te werk moeten gaan. Heel Popperiaans. Zo van: ik denk dat Cees B. het heeft gedaan. Ik ga niet zoeken naar wat dat vermoeden bevestigt, maar naar wat het zou kunnen falsifiëren. Pas als je alles hebt geprobeerd om het eigen vermoeden onderuit te halen, kun je zeggen: ik heb de overtuiging dat hij het heeft gedaan.

'In het rapport staat niks wezenlijks over hoe om te gaan met bekentenissen. Neem het geval van Timo Janssen in mijn boek. Die werd beschuldigd van seksueel misbruik. Hij leek eerst te bekennen, maar corrigeerde dat na zijn verhoor. Hij pleegde zelfmoord om de schande van een openbare terechtzitting te vermijden. De man is één keer verhoord, want hij bekende. De verdachten in de Puttense zaak ontkenden. Zij werden zestig keer verhoord.

Waarom wordt er niet naar u geluisterd?

'Er wordt wel geluisterd, maar het duur te lang. Zeventig procent van de rechterlijke dwalingen berusten op fouten met herkenningsprocedures. Ik heb een handboek geschreven voor de politie en een rapport voor de recherche adviescommissie over hoe een Oslo-confrontatie moet worden uitgevoerd. [Bij een Oslo-confrontratie wordt een verdachte in een rij gezet tussen onschuldigen die voldoen aan het signalement dat getuigen van het misdrijf opgaven. Getuigen moeten door een spiegelwand de juiste dader eruit pikken, red.] Niemand die zich hield aan mijn adviezen. In 2002 nam de minister een ministerieel besluit: herkenningsprocedures moeten voldoen aan de eisen zoals neergelegd in het handboek en in het advies van de recherche-adviescommissie. Het is wat laat, maar nu staat het er. Sindsdien weigeren rechters systematisch het besluit van de minister op te volgen. Ze zeggen: de minister is onze baas niet, dus we houden ons er niet aan. Pas als het een wet is, gaan ze het doen.

'Ik heb nu een geval bij de hand van een zwarte verdachte. Door een administratieve fout waren de twaalf anderen in de Oslo-opstelling blank. U lacht, maar dat is een schande. Dat de rechter dan zegt: ach, zo is het ook wel goed, het hoeft niet zo precies. De rechter moet zeggen: dit bewijs pik ik niet.

Kan het zijn dat juristen denken, waar bemoeit die Wagenaar zich mee. Zo'n psycholoog weet niks van ons vak?

'In het Nederlands Juristenblad schreef een raadsheer van het Hof in Arnhem een lollig stukje over mijn bezwaren tegen de slordige herkenningsprocedures. Dat Wagenaar weer zijn stokpaardje berijdt. Ik heb een bittere repliek geschreven. Dat het stukje de domheid en de ponteneur illustreert van de rechters. Ik bemoei me met het minst juridische deel van het strafproces. Rechters moeten drie dingen doen: de feiten vaststellen, beoordelen of die feiten een overtreding van de wet zijn, en de strafmaat voor de gepleegde feiten vaststellen.

'Het vaststellen van de feiten is een puur wetenschappelijke taak. Juristen zijn daar het minst van alle wetenschappers voor opgeleid. Om de feiten te kunnen vaststellen moeten rechters statistische informatie begrijpen, oorzaak en gevolg kunnen beredeneren, inzicht hebben in andere culturen en gewoonten. Juristen zijn vaak computeranalfabeten, ze kunnen niet met cijfers omgaan, hun onvermogen om statistische informatie te waarderen is mythisch. En daar zijn ze nog trots op ook. Vindt u bijvoorbeeld dat een rechter moet kunnen sms-en? In veel zaken dienen sms-jes als belangrijk bewijsmateriaal. Dan moet de rechter toch weten dat sms-en onhandig gedoe is, dat je anders formuleert.

'Om vast te stellen dat iemand te veel heeft gedronken doe je een bloedproef. Daarvoor roepen rechters de expertise van een arts in. Herkenning is de bloedproef van de psychologie. Het is een psychologische middel dat wordt gebruikt binnen de juridische context. Een getuige die een verdachte herkent, is een uitstekend bewijsmiddel, zo niet het beste. Maar dan moet het wel voldoen aan onze condities.'

In uw boek heeft u ook kritiek op de deskundigen in het strafproces. Wat moet er anders?

'Deskundigen worden omarmd door de juristen. Vooral als we zeggen wat ze zelf toch al dachten. En anders gaan ze naar een ander. Dat is het grootste probleem, het shopgedrag van politie en justitie.

Het Nederlands Forensisch Instituut en de rechtbank in Rotterdam zaten na de Schiedammer Parkmoord met allerlei vragen over het optreden van deskundigen. Want daar zijn geen regels voor. Voor hen heb ik de gedragsregels opgeschreven die ik mezelf altijd opleg. Toen ik door de verdediging in de zaak Demjanjuk als deskundige werd gevraagd heb ik eerst laten vastleggen dat mijn rapport op dezelfde dag naar de verdediging én naar de aanklager werd gestuurd. Dan voorkom je dat je rapport selectief of misschien helemaal niet wordt ingebracht als de inhoud een van de partijen niet welgevallig is.

'Bij de zaak van Jolanda uit Epe heb ik gevraagd om een tegen-deskundige. Ik dacht: dit is zo'n complexe zaak, het is een veilig idee als er iemand meekijkt, zeker als het iemand is die het meestal met me oneens is. Verder formuleer ik mijn conclusies onsubtiel. Niks enerzijds-anderzijds. Geen zinnen die uit hun verband gerukt het omgekeerde betekenen. Juristen zijn dol op halve citaten.

Bij de Demjanjuk-zaak ben ik een week op zitting geweest. Een halve dag werd ik ondervraagd over mijn bevindingen. En vier en een halve dag kreeg ik een kruisverhoor over de validiteit van mijn onderzoek en over wat mijn vak nou eigenlijk voorstelde. Zo moet het. Dan krijg je geen deskundigen die maar wat roepen over iets waar ze geen verstand van hebben.