AOWee (1)

Drie weken geleden liet PvdA-leider Bos zich op een conferentie in Den Haag uit over de financiering van de Algemene ouderdomswet (AOW). Dat heeft hij geweten. Lof van een deel van de bestuurlijke elite en verguizing door velen waren zijn deel.

Alle ophef dreigt te vertroebelen wat Bos tijdens de conferentie letterlijk zei: het bestaande 'draagvlak' voor de premieheffing is te smal. Premie voor de AOW wordt op dit moment uitsluitend geheven over de eerste 30.600 euro van het inkomen uit woning en werk, terwijl 65-plussers zijn vrijgesteld van premieheffing. Zijn conclusie: mensen met hogere inkomens - of ze nu jonger of ouder dan 65 jaar zijn - dienen meer aan de financiering van ons staatspensioen te gaan bijdragen. Concreter werd Bos niet. Wat zal hij hebben bedoeld? Eén mogelijkheid is voortaan ook AOW-premie te heffen over inkomen uit woning en werk dat 30.600 euro per jaar te boven gaat. Invoering van premieheffing over inkomen uit sparen en beleggen (nu vrijgesteld) maakt de grondslag eveneens breder. Ten slotte is het mogelijk een einde te maken aan de bestaande premievrijstelling voor senioren.

In de weken na de conferentie koppelde de voorman van de sociaal-democraten zijn algemene uitspraken aan een oude wens van zijn partij: de AOW dient te worden gefiscaliseerd. Dit betekent dat het staatspensioen niet langer via premieheffing, maar uit de algemene middelen wordt gefinancierd.

Nieuw is dit niet. Doordat de AOW-premie sinds 1997 wettelijk is gemaximeerd en de uitkeringen steeds meer geld vergen, stort minister Zalm van Financiën jaarlijks al een bedrag in het Algemeen ouderdomsfonds. Dit fonds wordt beheerd door de Sociale Verzekeringsbank, de instantie die maandelijks de AOW-uitkering naar 2,5 miljoen ouderen overmaakt. De rijksbijdrage bedraagt dit jaar 2,7 miljard euro en dekt daarmee meer dan 10 procent van de totale uitgaven voor de AOW (24,5 miljard euro).

Zolang het premiepercentage gefixeerd blijft, zal de rijksbijdrage verder toenemen. Als gevolg van deze sluipende fiscalisering komt bij ongewijzigd beleid in 2040 de helft van de uitgaven voor de AOW uit de schatkist. Bos en zijn partij worden dus op hun wenken bediend, mits zij een aantal decennia geduld hebben.

Wachten tot 2040 is echter geen optie, want tegen die tijd piekt de vergrijzing van de bevolking. Het aantal 65-plussers is dan bijna verdubbeld in verhouding tot de omvang van de groep 20- tot 64-jarigen. Zij zijn de kostwinners van de verzorgingsstaat, die voor iedereen - jong en oud - het inkomen moeten verdienen.

De oplopende grijze druk heeft grote gevolgen voor de overheidsfinanciën. Niet alleen voor de AOW is steeds meer geld nodig, ook voor de collectief gefinancierde gezondheidszorg. Zonder nadere maatregelen drijft de vergrijzing de overheidsuitgaven tot 2040 met 4 procent van het bruto binnenlands product op. In euro's van 2006 komt dat overeen met een uitgavenstijging van circa 20 miljard.

Dat cijfer uit een recente studie van het Centraal Planbureau ligt onder vuur. In sommige opzichten zijn de ambtelijke rekenmeesters misschien te pessimistisch geweest. Anderzijds hebben zij de stijging van de zorguitgaven ernstig (met 10 à 15 miljard euro) onderschat. Iets beters dan de projecties van het Planbureau is niet beschikbaar. Pakt de uitgavenontwikkeling in de toekomst gunstiger uit, dan zal het niet moeilijk zijn voor die meevallers een goede bestemming te vinden.

Om de zich aftekenende uitgavenstijging van ten minste 20 miljard euro op te vangen kan de overheid beknibbelen op haar uitgaven of de belastingen verhogen. De afgelopen kwart eeuw is in Den Haag vooral voor de eerste optie gekozen. Gevolg van een reeks van bezuinigingen is dat de koopkracht van de AOW-uitkering op dit moment niet hoger is dan aan het eind van de jaren zeventig het geval was. De algemene welvaart in Nederland is sindsdien met 40 procent toegenomen. Politici die beweren dat de AOW welvaartsvast is en blijft, draaien de kiezers dus een rad voor ogen. Al decennialang is het staatspensioen niet welvaartsvast. Om te voorkomen dat mensen die uitsluitend van een AOW-uitkering moeten rondkomen steeds verder achteropraken, zullen de collectieve lasten in Nederland omhoog moeten. Door aan te geven wie voor die lastenverzwaring moeten opdraaien, heeft Bos zijn rode kleur bekend.

Verschillende bewindslieden (De Geus van Sociale Zaken, Zalm) en CDA-leider Verhagen noemen lastenverzwaringen overbodig. Hun recept: meer mensen uit de groep 20- tot 64-jarigen moeten aan het werk. Het aantal premiebetalers neemt dan toe. Ook langs die weg kan het draagvlak voor de financiering van de AOW worden verbreed.

Deze politici verzwijgen moedwillig dat het Planbureau bij zijn vooruitberekeningen al aanneemt dat tot 2040 een groeiend deel van de 20- tot 64-jarigen bij de nationale productie is ingeschakeld. Zelfs een forse extra stijging van het aantal 'kostwinners' levert slechts dekking op voor een kwart van de verwachte meeruitgaven.

Om AOW en gezondheidszorg overeind te houden is een geleidelijke verzwaring van de collectieve lasten in de komende decennia dus onvermijdelijk. Het is redelijk daarbij van de groep ouderen een extra bijdrage naar draagkracht te vragen. De eerstvolgende column licht dit standpunt toe.

    • Flip de Kam