Prozaciaanse luchtbel

Mijn land is in de greep van een jonge zot met een jachtgeweer en precedenten. Een stille, mollige jongen uit een familie Vlaams Belangers scheert de helft van zijn hoofd kaal, koopt een wapen en schiet Matrix-style een Turkse vrouw, een zwanger Malinees meisje en een blonde peuter neer. Alleen de Turkse komt er met een klaplong vanaf. Achteraf beweert de jongen plots skinhead te zijn geworden en graag dood te willen.

Een akelige en toch vertrouwde situatie. Hoogst waarschijnlijk speelt in onze bioscopen binnenkort een tamelijk duffe Vlaamse variant van Gus Van Sants Elephant. Mijn mailbox loopt vol met oproepen tot meer verdraagzaamheid in de vorm van manifesten en benefieten. Als kunstenaar mogen wij niet achterblijven, zo luidt het. Ik twijfel nauwelijks aan de goede bedoelingen achter deze acties. Toch begrijp ik niet echt op welk gebied wij niet mogen achterblijven. Het afkeuren van gewelddadige skinheads die gekleurde mensen neerschieten? Het veroordelen van een politieke partij die hiervoor een kader heeft gecreëerd? Is het poneren van vanzelfsprekendheden engagement? Soms waarschijnlijk wel. Voor alle zekerheid: ik vind racisme kortzichtig. Ik vind dat men een ander niet mag doden. Al ben ik wel voorstander van euthanasie.

Om eerlijk te zijn vind ik het vooral vreemd dat het niet vaker gebeurt dat iemand in vredestijd plotseling de straat op gaat om mensen neer te maaien. We zijn met ongeveer zes miljard. In elk van die zes miljard hoofden zitten ongeveer honderd miljard hersenzenuwcellen, waarvan er dagelijks vijftigduizend sterven en welke op allerlei ingewikkelde, faalbare wijzen met elkaar verbonden zijn. Haast allemaal worden wij in meerdere of mindere mate krankzinnig en gefrustreerd. Er bestaan extremistische verenigingen van uiteenlopende aard die deze lotsbestemming graag ondersteunen. Bovendien komen meerderen onder ons tot het besef dat wij dingen doen omdat wij daar nu eenmaal toe in staat zijn. En dat wij tot veel in staat zijn. Velen wenden deze of andere kennis aan om de medemens hartstochtelijk te koeioneren, anderen zoeken hun heil in geneesmiddelen, een enkeling legt zich toe op het vervaardigen van macramé bloempothouders. Maar zelden loopt iemand de straat op met een jachtgeweer en het voornemen om te doden. Applaus voor jezelf!

Natuurlijk, moorden als die in Antwerpen vorige week, doen ons net tijdelijk vrezen dat we niet meer op deze natuurlijke remmingen van onze medemens kunnen rekenen.

Ik voel mij niet banger. Wel wordt mijn behoefte om met mijn hond te gaan wandelen steeds groter. Noem het escapisme. Vijfhonderd meter van mijn deur bevindt zich een parkje waar mijn hond met andere honden speelt en ik hun baasjes ontmoet. Het parkje is een Prozaciaanse luchtbel en de andere baasjes zijn voornamelijk mannen van zestig die moeilijk verstaanbare dialecten spreken. Maar dat geeft niet. Bedwelmd door de onvoorwaardelijke liefde van onze viervoeters, schrijden wij er samen door het malse gras. Terwijl onze vriendjes vreedzaam elkanders aars besnuffelen, putten wij onze enige gemeenschappelijke interesse uit. Wij maken ons zorgen over de artrose van Laika en de verminderde eetlust van Flip. De wereld buiten ons huisdier wordt schaars behandeld. Ik weet van een van de mannen dat hij roddelbladen leest, van een ander dat hij in een hotel werkt en van een derde dat hij vrienden heeft met een bloemenzaak. Dat volstaat. Omdat wij van onze honden houden, en onze honden van ons, houden wij ook een beetje van elkaar. Dat proberen wij nog even zo te houden.