Ontembare kleuren

Voor Karel Appel aan de haal ging met Gods eigen verfdoos was de wereld nog zwart-wit. Hij wekte de materie uit zijn oerslaap.

uit ‘Le Ballon Rouge’, film van Karel Appel

Soms hoef je er helemaal niets voor te doen. Dan krijg je het van Hogerhand gewoon in de schoot geworpen, achteloos, zoals je zelf de dakloze bij de supermarkt het statiegeld van je winkelwagentje in de hand drukt. Of misschien had Hij deze keer iets goed te maken, want het was ook nog eens stralend weer toen ik een kerk aan de overkant van de gracht passeerde waar een grote groep mensen voor verzameld stond – die allemaal een ballon aan een touwtje vasthielden. Kleine, parmantige ballonnen in diverse tinten rood en roze, waarvan de blik, net als die van de zacht als een bergbeekje murmelende mensenmenigte, strak op de ingang van de kerk was gericht. Licht door de wind bewogen leken zij hun schriele nekken tot brekens toe uit te rekken en hun bolblozende hoofden dansten opgewonden heen en weer – alles om maar een glimp op te kunnen vangen van wat zich daarbinnen afspeelde. Een bruiloft, nam ik aan, terwijl ik doorliep naar huis. Daar hoorde ik dat Karel Appel was overleden.

Nu is er een tijd geweest dat ik de deur platliep bij mensen waar echte Appels hingen. Meerdere Appels, moet ik eigenlijk zeggen (O als watermeloenen zo groot), in twee huizen, om precies te zijn, en in een van die twee naast die Appels ook nog werk van Saura, Tajiri en Niki de Saint Phalle. Dat was ook het huis waar ik op een avond werd voorgesteld aan een frêle man met witblond haar en een bijna vrouwelijk-zachte handdruk van wie gezegd werd dat hij De Kooning was. Mooie huizen, allebei. Het één oud, een statig pand in de buurt van het Concertgebouw, het ander nieuw, een modernistische stadsvilla niet krankzinnig ver daarvandaan – maar het oude was mooier dan het nieuwe.

Het oude, mooiere huis – het huis waar ik De Kooning een handje mocht geven – werd bestierd door een goede fee, het andere door een boze feeks. De fee, een uitbundige blondine met de hartelijkheid van een Italiaans dorpsfeest, was de moeder van mijn beste vriend, de feeks de moeder van het meisje waar ik toen iets mee had. Waar de eerste mij altijd verwelkomde als de verloren zoon die ik graag had willen zijn, belde de laatste mij soms ’s avonds laat thuis bij mijn ouders op om mij met dikke champagne-tong te vragen ‘wat ik in hemelsnaam met haar dochter had gedaan’.

Derde honk

Daar bedoelde ze niets seksueels mee, of eigenlijk: daar kón ze weinig seksueels mee bedoelen, want op dat terrein deelde haar dochter – die, eerlijk is eerlijk, meer vrouw was dan ik toen aankon – de lakens uit, waarbij ze mij steevast liet sneuvelen op het derde honk. De bezorgde moeder bedoelde dat ik op moest houden de geest van haar dochter te vergiftigen met mijn opruiende praat over de verderfelijkheid van het jetsetmilieu waarin ze opgroeide. Wist ik wel hoe hard haar man altijd gewerkt had voor zijn geld en wat voor goede dingen zij wel niet allemaal met dat geld deden, bijvoorbeeld op het gebied van de kunst? Het zal in die periode geweest zijn dat ik de gewoonte van mijn vader overnam om aan de telefoon allerlei kakenrekkende bekken te gaan trekken.

Overigens was ik degene geweest die de relatie op een gegeven moment verbrak – ik wilde geen colberts van Dick Holthaus meer hoeven dragen en in een restaurant gewoon mijn bord echt helemaal leeg kunnen eten zonder dat er misprijzend in mijn richting gekeken werd. Ook verlangde ik naar de wereld voorbij het derde honk. De vrijheid van het verre veld. Ze reageerde op mijn uitmaakpraatje met een vorstelijk opgetrokken wenkbrauw – geamuseerd als ze was door het feit dat dit, zoals ze zei, de eerste keer was dat een dergelijk initiatief niet van haar was uitgegaan. Waarmee ze de situatie natuurlijk alsnog naar zich toe trok en mij en passant duidelijk maakte dat ik nog geen rimpeling in de vijver van haar leven zou achterlaten. „Luister nog maar eens naar het liedje ‘Girl’ van de Beatles”, adviseerde mijn vriend uit het andere Appel-huis later, „dat is haar op het lijf geschreven. En dan vooral dat heftige naar binnen zuigen van de adem van Lennon in het refrein. Alsof iemand even heel hard op zijn tenen is gaan staan.”

Blinkend

In de tijd voordat ik toegang kreeg tot de blinkende domeinen van de fee en de feeks, kende ik het werk van Karel Appel zoals iedereen dat toen kende – het was op een of andere manier overal: zijn werk wás die tijd en omgekeerd. Ik bedoel, vóór die tijd, vóór Appel, midden jaren zestig, was de wereld bijna alleen nog in zwart-wit geweest. Met soms fraaie, scherpe schaduwen en verleidelijke silhouetten, maar vaak ook behoorlijk pips of muizig grijs. Dat veranderde allemaal toen Appel en de zijnen aan de haal gingen met Gods eigen verfdoos – en het grote geniale geklieder een aanvang kon nemen op doeken die de wereld haar kleur teruggaven op dezelfde wijze als de jazz en rock’n’roll van die tijd haar klank gaven.

Appels werkwijze had ook veel weg van een jazzdrummer tijdens een geïnspireerde solo: kijken kijken, luisteren luisteren, en padoem padam klunk, een veeg kobaltblauw en een lik ravenzwart, weer even kijken, zachtjes in een paar tubes knijpen, even wachten nog, en tak tak tak frrrrrrt frrrrrrt, een streep Napelsgeel, een spoor titaanwit en een kwak vermiljoen, verf als water, verf als aarde, de materie die, boem kresj boem boem klen, met een paar flinke kletsen uit haar oerslaap gewekt wordt – en dan maar roeren, vegen, draaien, kneden, net zolang tot de materie de geest geeft en ziel wordt en er uit de verf op het doek gestalten opdoemen: wisselende gedaanten, nieuwe dieren, andere namen.

Wat ik pas bij de fee en de feeks thuis ontdekte, was hoe ontembaar ze waren. Ze hielden niet op met bewegen, die schilderijen, geen seconde. Elke keer dat je er naar keek vormde zich in de maalstroom van kleuren een ander schilderij en toch ook steeds hetzelfde – alsof ze zich permanent voor je ogen aan het herscheppen waren. Het was ondoenlijk er lang naar te kijken zonder zelf mee te bewegen en mee te veranderen.

Ik ben op den duur behoorlijk goed bevriend geraakt met de Appels bij de fee en de feeks. In het begin knikten we alleen even naar elkaar, maar geleidelijk aan ging dat over in een hartelijk hallo, een blik van verstandhouding, een klap op de schouder en ten slotte een innige omhelzing. Wat ik voelde toen de deur van de stadsvilla van de feeks voor de laatste keer achter mij dichtsloeg – en ik besefte dat ik de Appels daarbinnen nooit meer zou zien – kwam dan ook gevaarlijk dicht in de buurt van liefdesverdriet.

Nu, bijna veertig jaar later, moet ik bij de dood van Karel Appel denken aan het slot van de film Le Ballon Rouge die ik als kind heb gezien – over de vriendschap tussen een jongetje en een grote rode ballon, die aan het eind door een stel pestkoppen met katapulten wordt lekgeschoten. En ik stel mij voor hoe alle ballonnen van de stad tegelijkertijd het luchtruim kiezen, niet alleen de roze en de rode zoals bij die kerk aan de gracht, maar ook de blauwe, de gele, de groene – sommige in trossen, andere met aan elkaar geknoopte touwtjes in paren, de meeste alleen.

Wanneer ze hoog genoeg aan de hemel staan, knallen ze een voor een uit elkaar en storten hun kleuren over de wereld uit.

    • Roel Bentz van den Berg