Niet toegeven maar woede voelen

Jeroen Theunissen Foto Wim Daneels Jeroen Theunissen - foto Wim Daneels Daneels, Wim

Jeroen Theunissen: het einde. Vertelling. Meulenhoff/ Manteau, 268 blz. € 18,95

Een kind staat in een tuin en gooit een stuk speelgoed steeds weer van hoog boven zijn hoofd in het gras, met ‘een begin van ontevredenheid’, om de voorspelbaarheid van de zwaartekracht die het ding zal doen vallen. Eindeloos herhaalt het kind het experiment ‘in de hoop ofwel ooit definitief te leren aanvaarden, ofwel ooit eenmalig een uitzondering te kunnen verkrijgen’. Aanvaarden of je blijvend verzetten: dat zijn de twee mogelijke grondhoudingen in het leven.

Die keuze is waar het om draait in het einde, de tweede roman van de jonge Vlaamse schrijver Jeroen Theunissen (1977). ‘Hoe te leven?’ is hier de vraag, en dan vooral: hoe te leven in deze tijd van consumptie, technologie, global warming en ongelijk verdeelde rijkdom. Geen geringe materie voor een roman, maar Theunissen komt ermee weg. Wellicht omdat hij eenduidige antwoorden vermijdt, wat de roman minder pedant maakt dan die met zulke thematiek riskeert. In drie losstaande verhalen demonstreert Theunissen drie mogelijke levens.

Joost Helder, ooit het jongetje van het experiment in de tuin, is een bijna doorgebroken schilder die in de war raakt wanneer zijn vriendin hem verlaat. Hij is onthand, maar meer uit gemakzucht dan uit liefde. Hij mist zijn vriendin om ‘het onchaotische ex-leven dat hij met haar associeerde’. ‘We hadden het goed. Het is aangenaam en gemakkelijk. We houden van elkaar’, luidt zijn weinig vurige pleidooi om haar terug te krijgen. Na haar vertrek begint Joost ikonen te schilderen, waarop hij niet de Messias, maar zichzelf afbeeldt.

Ook in het tweede deel van het einde is de Verlosser de grote afwezige. In plaats daarvan is er ene Ludwig Lazarus die het vooral voor zichzelf goed regelt. Dit tweede deel is bijbelser en minder realistisch dan de andere twee, met een heuse zondvloed en Lazarus die alleen rode wijn drinkt en een oplossing heeft gevonden voor zijn sterfelijkheid: hij leeft in een virtueel en interactief universum. Alleen is de wereld die hij voor zichzelf heeft ingericht precies dezelfde als de bestaande wereld, compleet met boerderijtje én een stinkende fabriek op de achtergrond.

Het derde deel van het drieluik, ‘De vrijwilliger’, gaat over Marc Steen die naar Ecuador trekt, om zijn belangstelling voor het broeikaseffect en zijn liefde voor het oerwoud te zien omslaan in belangstelling voor vrouwelijk schoon. De suggestie is dat hij en de dame die hij in het vliegtuig ontmoet nog lang en gelukkig zullen leven, wat hier betekent ‘in de lawine meegaan, in de wieling drijven van afval en recyclage: dagelijks zie ik hen stipt op het halfzeven van de wekker opstaan en op het halftwaalf van de gewoonte slapen gaan, op het gepaste moment krijgen ze hun kinderen en wanneer de tijd daartoe rijp is maken ze carrière, soms zijn er minnaars [...]’.

Zo eindigt het einde met het begin – en dat is nog maar een van de grapjes die Theunissen uithaalt. Wat die allemaal betekenen, is niet altijd duidelijk. Waarom die namen: Helder, Hardt, Lazarus, Steen? En is de titel, zo zonder hoofdletters, zuiver postmodern gekoketteer (Theunissen is verbonden aan het door Franse literatuur-theorie beïnvloede tijdschrift Yang), of zit er een diepe gedachte achter? En wat moeten we met de citaten uit bijvoorbeeld het handboek Ikonen leren schilderen of uit het werk van De Sade?

De roman loopt over van ondoorgrondelijke betekenissen, en lijkt daarin meer op poëzie dan op proza. Ook de doeltreffendheid van Theunissens taalgebruik doet aan poëzie denken. De wijze alleen al waarop Joosts vriendin al ‘zemelend’ en met ‘dat onvermijdelijke ik-wil-dood’ hun relatie verbreekt. De verteller, die vrolijk rondzweeft, verandert in ieder deel van het boek van toon. In het middelste van de drie verhalen is hijzelf het meest zelf deel van het verhaal, en het stoerst van taal. De lezer wordt dan aangesproken als ‘Amigo’, of ‘brother’, en de tekst is doorspekt met fuck en shit, flippen en janken.

Het is niet alleen door deze ex-kraker als verteller dat je het einde een anti-globalistische roman zou kunnen noemen. Bij Theunissen zijn de personages steeds nadrukkelijk in de wereld. In hun kleine stad (Gent?) in de eerste plaats, maar ook in de grote wereld van milieu-problemen en tsunami’s. De figuren uit de drie delen hebben gemeen dat ze, links-idealistisch begonnen, ouder, bedaagder en egoïstischer worden: ‘De jeugd doorstaan, de onrust voorbij, op een gegeven moment, besef je dat deze wereld – hoewel niet perfect – de beste van alle is’.

Daarmee staat de conclusie van Theunissen haaks op die van Michel Houellebecq, de Franse schrijver waar hij veel mee gemeen heeft. Precies als bij Houellebecq snakken de personages van Theunissen naar een ‘eiland’ waar je met z’n tweeën op zou kunnen wonen en het wél goed doen: ‘Er zou op ons eiland geen immigratie zijn, geen input, we zouden de deuren sluiten en geen moment inloggen en de informatiestroom simpelweg stoppen. Op alle mogelijke manieren zouden we het met elkaar doen’. Net als Houellebecq onderzoekt Theunissen manieren waarop je kan leven in deze wereld, en wat er zou gebeuren als de technologie ons het eeuwige leven biedt. Beiden voorspellen dat het alleen grenzeloze verveling zou opleveren.

Maar eindigen Houellebcqs personages compleet gedesillusioneerd en leeg, Theunissen legt zich er niet bij neer: ‘Ik aanvaard zomaar niet dat ik er ben en verder niets’. In een theoretische epiloog geeft hij toe dat hij blijft geloven in een ‘happy end’: ‘Het ‘‘happy end’’ niet als de noodzakelijke, overal heersende norm, niet als conformisme, niet als ‘‘alles is mooi zo’', niet als ‘‘er valt weer veel te winnen’', niet als Hollywood, niet als reclameopdracht. Maar anders. Enzovoort.’.

In dat slothoofdstuk haalt Theunissen er de oplossingen van Schopenhauer bij, en van Camus en Safranski, en hij besluit dat je ‘kritisch’ moet blijven, moet proberen iets te veranderen, niet toegeven maar woede voelen. Woede ‘met een sausje van hoop’. Dat mag dan geen wereldschokkende conclusie zijn, als existentiële worsteling is het einde ambitieus en oprecht. Het laat je achter met het beeld van de schrijver als jongen die altijd maar weer hetzelfde stuk speelgoed de lucht in gooit, hopend dat het ooit eens niet zal vallen.