Niemand speelt met reanimatie

Hugo van der Wedden vindt dat reanimatie aan wettelijke regels gebonden dient te zijn (Opiniepagina,3 mei). Hij ziet grote gevaren in ondeskundig reanimeren en stelt dat de overheid hier met wetgeving of richtlijnen paal en perk aan moet stellen. De leken-hulpverlener moet het ontgelden: deze wordt afgeschilderd als een overijverige padvinder die met zijn padvindersmes, de Automatische Externe Defibrillator (AED), oude mensen tegen hun wens berooft van een milde dood. Ook artsen in het ziekenhuis zijn liever lui dan moe en ontwijken het gesprek over een mogelijke wens om niet te worden gereanimeerd.

Jaarlijks wordt bij 7.000 tot 10.000 Nederlanders buiten het ziekenhuis een reanimatiepoging gedaan. Naar schatting 10 procent van deze pogingen is succesvol en wordt de patiënt uit het ziekenhuis ontslagen. Van deze overlevenden is in 70 à 80 procent van de gevallen het functioneren normaal tot bevredigend, en bij circa 10 procent zijn de afwijkingen in functioneren zeer ernstig en kan men zich achteraf afvragen of het niet beter was geweest als de poging tot reanimatie niet was gedaan of was mislukt.

Moeten we blij zijn met deze resultaten? Het antwoord is in het overgrote deel van de gevallen positief. Natuurlijk kan het beter. Tijd is de doorslaggevende factor in de kans om een hartstilstand te overleven. Het zijn vooral factoren van logistieke aard die het succes van een reanimatiepoging bepalen.

Wat betreft omstander-reanimatie heeft Nederland een uitstekend record: in bijna de helft van de gevallen beginnen omstanders vóór aankomst van de ambulance met reanimatie. Daardoor verdubbelt de overlevingskans. Met de tweede factor, de snelle komst van een ambulance met defibrillator, ligt het moeilijker. Die duurt veel te lang, maar de maatregelen die worden genomen om de aanrijtijd van ambulances te bekorten zijn schijnoplossingen, althans voor het probleem van de plotselinge hartstilstand. De AED is, in ieder geval gedeeltelijk, wel een oplossing, omdat de tijd tot defibrilleren sterk kan worden bekort. Het kan zo effectief zijn dat de kans op overleving meer dan 60 procent kan bedragen als de defibrillatie met AED binnen 4 à 5 minuten na het onwel worden kan plaatsvinden. Dat zijn dezelfde patiënten bij wie de overlevingskans nu 10 à 15 procent is, puur door te laat defibrilleren, als dat pas gebeurt na aankomst van de ambulance.

Niemand behoeft tegen zijn wens te worden gereanimeerd, noch buiten, noch in het ziekenhuis. Maar het is de wereld omdraaien om de beperkte groep die niet wil worden gereanimeerd te beschermen, ten koste van de veel grotere groep die dat waarschijnlijk wel wil. Er is een niet-reanimeerpas en binnenkort een legale niet-reanimatiepenning die ongewenste reanimatie kunnen voorkomen. Van der Wedden heeft waarschijnlijk gelijk dat in het ziekenhuis het niet-reanimeren vooral aan de orde wordt gesteld als de arts meent dat reanimatie zinloos zal zijn. De vraag bij wie en wanneer de arts het niet-reanimeren dan wél op eigen initiatief aan de orde moet stellen, is niet eenvoudig te beantwoorden. Daar is wellicht verbetering mogelijk. De door Van der Wedden als voorbeeld genoemde wetgeving en richtlijn hebben betrekking op het actief bijdragen aan het sterven, terwijl reanimatie betrekking heeft op hulp bij behoud van leven voor hen die niet al uitdrukkelijk van dat recht op hulp afzagen. En het recht op leven en de inspanning het leven te behouden hoeven niet door de overheid te worden gereguleerd. De overheid moet wel kwaliteitseisen formuleren betreffende opleiding van instructeurs eerste hulp en reanimatie. Ook moet de informatie uit de AED ter beschikking komen van de behandelend arts in het ziekenhuis, essentieel voor de behandeling na reanimatie. De overheid kan ook eisen dat de AED’s die in Nederland worden verkocht, voorzien zijn van een registratiechip.

Ruud Koster is cardioloog in het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam en voorzitter van de Wetenschappelijke Raad van de Nederlandse Reanimatie Raad.

www.nrc.nl/opinieArtikel Van der Wedden

    • Ruud Koster