Moslimkandidate verhit Griekse gemoederen

De Griekse socialisten willen een lid van de moslimminderheid kandidaat stellen bij lokale verkiezingen in het noordoosten. Daar is niet iedereen blij mee.

Güzelbeyás Karahasán, een 28-jarige advocate uit Xánthi, wordt mogelijk in oktober kandidaat voor de post van ‘superprefect’ over drie provincies in het noordoosten van het land. Niet dat ze veel kans maakt. Ze is moslim en (sinds een jaar) lid van de socialistische Pasok, terwijl de regerende Nieuwe Democratie (ND) in deze regio oppermachtig is. Het is meer een symbolische geste van de Pasok-leider Papandreou, wiens partij veel heeft gedaan voor de moslimminderheid toen zij in de jaren ’90 aan de macht was.

In twee van de drie provincies wonen geen moslims, terwijl in de derde, Xánthi, 37 procent van de bevolking moslim is. De beruchte slagbomen waarachter de moslimdorpen in het noorden van Griekenland waren opgesloten zijn pas in 1995 opgeheven.

Güzelbeyáz heeft haar jeugd doorgebracht vlakbij die slagbomen. Geen lid van de minderheid kon in die jaren advocaat worden, een apotheek openen of zelfs maar een rijbewijs verwerven. Ze mocht uiteindelijk in Athene studeren dankzij een maatregel van Papandreou, destijds minister van Onderwijs. Hij had een half procent van de studieplaatsen gereserveerd voor moslimstudenten die tot dan voor hoger onderwijs waren aangewezen op Turkse universiteiten. Güzelbeyáz, die behoort tot de nieuwe generatie moslimvrouwen zonder hoofddoek, is min of meer een ‘product’ van de Pasok.

Güzelbeyáz’ kandidatuur – in een peiling door 52 procent van de Grieken toegejuicht – stuitte meteen op weerstand van de kerk en van ultranationalisten binnen de ND. De minister voor Macedonië en Thracië, Jorgós Kalatzís, vroeg openlijk hoe Grieks ze wel was. Anderen opperden dat men zich op het Turkse consulaat in de Thracische stad Komotiní wel in de handen zal wrijven.

De voordracht van deze moderne advocate, die nooit contact heeft gehad met dit consulaat, kan echter evengoed worden gezien als teken dat Ankara zijn greep op de minderheid verliest.

De grootste woedegolf kwam van de Pontiërs, de Grieken die in de jaren van 1919 tot 1923 van de kust van de Zwarte Zee zijn verdreven en in hun nieuwe vaderland onderling nog innige banden onderhouden. Vandaag gedenken zij de misdaden uit die tijd, waarbij 353.000 mensen om het leven zouden zijn gekomen. Zij vragen erkenning van deze ‘genocide’ door de Europese Unie.

Dit wekt nieuwe woede in Turkije, dat op 19 mei juist feestelijk herdenkt hoe hun grote leider Kemal (de latere Atatürk) in 1919 voet aan wal zette bij de Zwarte-Zeestad Samsun om het moderne Turkije te stichten. Daarmee begon inderdaad ook de ‘genocide’. Begin deze week annuleerde de Turkse regering het uitroepen tot ‘zustersteden’ van Izmir en Thessaloniki, omdat in de Griekse stad een monument voor de Pontische slachtoffers is opgericht.

Wat Güzelbeyás hiervan vindt is een van de gewetensvragen die haar werden gesteld. Ze antwoordde dat ze geen minister van Buitenlandse Zaken was, maar dat zij „de geschiedenis en de herinnering van volken respecteerde”.

    • F.G. van Hasselt