Mijn werk overstijgt de muur

In de DDR was Walter Womacka een gevierd kunstenaar. Met zijn monumentale schilderingen liet hij in Oost-Berlijn overal zijn sporen na. Onlangs kreeg hij de opdracht Angela Merkel te portretteren. Womacka: „Wanneer weet ik niet, maar het socialisme komt terug.”

‘Staatskunstenaar? Ach, staatskunstenaar!” Ik wilde hem niet bruuskeren en liet het woord voorzichtig vallen. Maar met ingehouden verontwaardiging wijst Walter Womacka (80) het begrip af. Na de Wende werd hem de vraag te vaak gesteld, zegt hij.

Womacka was in de voormalige DDR vooral bekend wegens zijn monumentale kunst zoals hij die in Oost-Berlijn maakte: het glasvenster in de Humboldt Universiteit, de mozaïekfries aan het Haus des Lehrers, de glaswand in het Staatsraad-gebouw waarin hij de geschiedenis van de arbeidersbeweging verbeeldde, de muurschilderingen in het voormalige ministerie van Buitenlandse Zaken, het koperreliëf aan het Haus des Reisens. Officiële kunst in staatsgebouwen.

Was de kunst die hij in opdracht maakte wel kunst? Wie voor het geld van de macht werkte, was verdacht. Ten onrechte vindt hij: „De meeste kunstwerken ontstonden in opdracht van de kerk of van keizers en koningen. Zonder pauselijke opdrachten zouden we geen Sixtijnse Madonna van Raphaël of Mona Lisa van Da Vinci hebben. Ik kon dat monumentale werk toch alleen maar in opdracht maken?” Maar zijn schilderijen, tekeningen en plastieken maakte hij louter voor zichzelf. En als iemand het wilde kopen kon dat.

Hij lijkt te aarzelen en vertelt dan bijna fluisterend dat hij onlangs is gevraagd om ‘Bundeskanzlerin’ Angela Merkel te portretteren. „Ik heb het nog aan niemand verteld.” Als ik enthousiast reageer, zegt hij dat hij nog geen beslissing heeft genomen. Is hij dan niet trots? „Daar ben ik te oud voor. Maar als ik het doe ben ik toch ook geen staatskunstenaar?” lacht hij.

Walter Womacka is een beheerst man die niet van kleur verschiet als hij zich opwindt. Welwillend en bedachtzaam formuleert hij zijn antwoorden. Voor de val van de Muur was hij een gerenommeerd kunstenaar, misschien wel de bekendste van de voormalige DDR. Toch is hij niet in de spelonken van de geschiedenis verdwenen. Hij schildert nog steeds en zijn laatste expositie in het Alte Palais am Festungsgraben in Berlijn was een doorslaand succes. Hij exposeerde er grote doeken van Berlijn tijdens een dreigend onweer, van de afbraak van het voormalige ministerie van Buitenlandse Zaken, van een overvol strand met een vrouw in tangaslip naast een traditioneel visserspaar, maar ook olieverfschilderijen van stillevens. „Mijn werk overstijgt de Muur en wordt gewaardeerd door mensen uit oost en west.”

Nee, met zijn bekendheid is niets mis. Onlangs nog kwam er een jonge man op hem af die zijn mouw opstroopte en hem een enorme tatoeage toonde. Het was een afbeelding van zijn koperreliëf in het Haus des Reisens aan de Alexanderplatz in Berlijn – een kompas, een kosmonaut, water, zon. Bloedserieus vertelde de 25-jarige dat het reliëf voor hem het symbool was van de vrijheid. „Ik was stomverbaasd, want destijds was juist het reizen een probleem.”

Optimistische tijd

Womacka’s werkzame leven loopt synchroon met de DDR. Vanaf zijn drieëntwintigste levensjaar in 1949, toen hij ging studeren aan de Hochschule für Baukunst und Bildende Künste in Weimar tot zijn vijfenzestigste toen de arbeiders- en boerenstaat opging in de Bondsrepubliek, maakte hij talloze kunstwerken – mozaïeken en muurschilderingen, maar ook beelden en portretten die het leven in de DDR symboliseerden. Zijn leven wás de DDR, al vond hij dat het systeem te weinig vrijheid bood aan zijn burgers. Nog steeds verwerpt hij het verbod op buitenlandse reizen voor de gemiddelde DDR-burger. Maar: „De wereld is niet in één leven te veranderen, zoals ik dacht.”

Het centrum van Oost-Berlijn – de Alexanderplatz en omgeving – draagt nog steeds het stempel van Womacka, door zijn mozaïeken, reliëfs en muurschilderingen in officiële gebouwen en niet te vergeten de fontein op de Alexanderplatz. Zijn muurschildering in het ministerie van Buitenlandse Zaken is met de afbraak midden jaren negentig verdwenen. „Dat was misschien wel mijn beste monumentale werk.” De schilderijen die hij samen met vijftien andere kunstenaars maakte voor het Palast der Republik dat dit jaar wordt afgebroken, zijn ondergebracht in de kelder van het tegenover gelegen Deutsche Historisches Museum. „Het in het gebouw aanwezige asbest is verwijderd en dat werd als alibi gebruikt om het hele gebouw te laten vervallen en af te breken” Maar de meeste van zijn monumentale kunstwerken zijn bewaard gebleven.

Die kunstwerken stralen optimisme uit. Nijvere arbeiders, oogstende boerinnen, serieuze wetenschappers, lachende kinderen. „Zo’n positieve grondtoon was karakteristiek voor die jaren. Dat was in het Westen toch ook zo? Het was een optimistische tijd en je wilde met je kunst een bijdrage leveren.” Hij geeft toe dat hij nu niet meer zulke kunstwerken zou maken: „Ik zou de mensen die ik weergeef meer laten piekeren, peinzen, en ze niet meer zo zelfverzekerd neerzetten.”

Hij erkent dat hij zijn kunst alleen kon maken dankzij het bestaan van de DDR. „De mogelijkheden die ik daar had, had ik in de Bondsrepubliek nooit gekregen. In Oost-Duitsland werd meer gedaan aan de bevordering van het gemeenschapsgevoel en mijn kunst was daar een uitdrukking van. Als ik in het Westen was gebleven, had ik me ook wel bewezen, maar heel anders. Ik ben een realistische schilder. Het was me heus niet zwaar gevallen om een abstract schilderij te maken, ik heb gevoel voor decoratie, maar abstract schilderen zou mij niet hebben bevredigd.” Naast het maken van kunst voor de openbare ruimte had hij ook behoefte om te schilderen voor de huiskamer. „Ik was altijd op zoek naar evenwicht. Dan zocht ik naar rust en schilderde vrij en individueel, zonder de druk van een collectief.”

Het bekendste vrije werk van Womacka is ongetwijfeld Paar am Strand (1962). Het schilderij toont een jongen en een meisje die mijmerend op het strand zitten. Een onschuldig, lieflijk tafereel. Geen motief uit het communistische arbeidersbestaan, met heroïsche poses, realiseerde hij zich. Maar hij wilde eens ‘volledig uitbreken’ en een dromerig stelletje schilderen. De jongen en het meisje werken niet, maar luieren en lijken zich niets aan te trekken van de omgeving. Met moeite kwam het stuk door de selectie van de beroepsvereniging voor het werd geëxposeerd. Maar toen was het hek van de dam. De Neue Berliner Illustrierte, het grootste geïllustreerde tijdschrift van de DDR, beeldde het af op de cover. Seemann-Verlag zou uiteindelijk drie miljoen reproducties maken, waarvan een deel in het Westen werd verkocht. Het schilderij had ‘de zenuw van de tijd geraakt’. Maar Womacka kreeg ook heftige kritiek. Er ontstond een controverse, wat hij nu vooral als een compliment beschouwt. Het belangrijkste verwijt was dat hij individueel geluk als onderwerp voor zijn voorstelling had gekozen. Zelfs vorig jaar nog, toen het doek werd geëxposeerd in Eisenhüttenstadt, waren de discussies niet van de lucht. Sommigen beschouwden het doek als nazikunst of als kitsch. „Voor mij”, zegt Womacka, „was het niet meer dan een poging om in een tijd van collectieve geluksvoorstellingen juist het persoonlijke geluk een plaats te geven.”

Het Politburo schonk het schilderij in 1963 aan partijleider Walter Ulbricht, die het op zijn beurt uitleende aan de Galerie Neue Meister in Dresden waar het nu nog steeds hangt. Ik moet niet denken dat Ulbricht het schilderij afwees. „Hij liet me weten dat hij het een aantrekkelijk doek vond.” Maar, aldus Womacka, „Ulbricht was een kunstliefhebber die er ook graag over discussieerde en vond dat niet alleen hij ervan mocht genieten.”

Showprocessen

In 1969 toen hij directeur was van de Hochschule für Bildende und Angewandte Kunst in Berlin-Weissensee vroeg Ulbrichts vrouw Lotte hem of hij haar man wilde portretteren. Het leek Womacka een uitdaging. Hij had wel sympathie voor de partijleider, die hij af en toe ontmoette op vergaderingen en bij openingen. Terwijl Ulbricht voor hem poseerde, spraken ze urenlang met elkaar. „Hij leidde een bewogen leven en vertelde over de jaren twintig in Duitsland, zijn vorming tot communist en zijn tijd in de emigratie in Moskou. Ik herinner me hoe hij heel trots was dat er begin jaren vijftig, toen in heel Oost-Europa processen werden gevoerd waarbij partijkopstukken werden geblameerd en geëxecuteerd, er in de DDR niet zulke showprocessen hadden plaatsgevonden. Hij vond het een prestatie dat hij Beria, de sovjetminister van Binnenlandse Zaken, had weerstaan, want die wilde ook een showproces in Berlijn.”

Toen het portret van Ulbricht klaar was, kwam de partijleider in Womacka’s zomerhuisje op Usedom langs om het resultaat te bekijken. Hij was zeer tevreden, maar het portret was nog niet helemaal naar mijn zin.” Lotte Ulbricht vond dat de handen van haar man te groot waren afgebeeld. In werkelijkheid hád Ulbricht ook grote handen volgens Womacka. Hij hield dus voet bij stuk en veranderde niets aan het portret. Ulbricht vond dat het Politburo nog wel over het schilderij moest beslissen. En zo kwamen ze op een dag allemaal langs: Erich Honecker, de tweede secretaris van de partij, Paul Verner, de partijsecretaris van Berlijn, en Kurt Hager, verantwoordelijk voor cultuur en wetenschap.

Womacka wijst naar de sofa waarop ik zit. Groot, met sierlijke houten krullen en mosgroen velours. Ze zaten op dezelfde sofa, glimlacht Womacka, keken en wisten niet goed wat ze moesten zeggen. Mannen die niet gewend waren over kunst te spreken en het ook niet begrepen. Doodse stilte. Tot Honecker zei: ‘Ja, das ist Walter.’ Waarop de anderen dat mompelend beaamden. „Het ging er alleen maar om of ze hem zouden herkennen. Dat was het geval en daarmee was het schilderij goedgekeurd.”

Toen Womacka later werd gevraagd om Ulbrichts opvolger Erich Honecker te portretteren, wees hij dat verzoek af, ook nadat hem op allerlei manieren te verstaan was gegeven dat hij de aangewezen persoon was. „Ik had er geen zin in. Honecker was stug, afstandelijk. Hij meed contacten met kunstenaars en intellectuelen, in tegenstelling tot Ulbricht, die juist veel met hen sprak. Ik was bang dat er geen vonk zou overspringen als ik Honecker zou portretteren. Ik mocht hem niet.” Die vonk sprong wel over toen hij in Syrië president Assad schilderde. „Die man vond ik heel sympathiek, hij interesseerde zich voor alles. Dat was prettig werken.”

Stier

Drie symbolen zijn kenmerkend voor Womacka’s werk: de appel, de haan en de stier. „Ze symboliseren kracht en leven. En ik zet ze in bij de thema’s die ik wil uitbeelden.” Zo gebruikte hij na de ondergang van de DDR de stier als symbool: „De stier staat voor kracht maar ook voor kwetsbaarheid, hij kan gemakkelijk worden gedood. Hij is het symbool voor de mensen die iets nieuws nastreefden en zwaar beschadigd werden door de ondergang van de staat.” Een keer gaf hij een dode stier weer, veel vaker gewonde stieren. „Die kunnen nog genezen. Wanneer weet ik niet, maar het socialisme komt terug, en de stier zal weer opleven. Zoals het nu gaat, kan het niet doorgaan. Er valt niets meer te reguleren en politici van wie men denkt dat ze macht hebben, zijn afhankelijk van het kapitaal.”

Ja, soms verlangt hij terug naar de DDR: „De mensen hadden er werk, ze konden leven met weinig geld en die sociale zekerheid missen ze nu.”

Maar zo perfect was die boeren- en arbeidersstaat toch niet? „Daar heeft u gelijk in, de vrijheid was in het geding. Persoonlijk had ik wel de nodige vrijheid, maar dat gold niet voor iedereen. Net als ik vonden veel mensen dat er van alles verbeterd kon worden, maar dat de DDR toch te prefereren was boven de Bondsrepubliek. Ach, misschien verlang ik wel terug naar mijn jeugd.”

Hij zegt dat hij zich nog steeds ergert aan de manier waarop de DDR aan zijn eind kwam: „Ik had gedacht dat de politici in het westen intelligenter waren, maar ze hebben veel kapotgemaakt. Materieel stelde de DDR misschien niet veel voor, maar we hadden goede mensen met een goede opleiding en van hen is na de Wende nauwelijks gebruikgemaakt. De West-Duitsers hebben een vorm van cultureel imperialisme bedreven.” Hij was dan ook aangenaam verrast door de opkomst van de huidige bondskanselier Angela Merkel en voormalig SPD-voorzitter Mathias Platzeck, die beiden uit de DDR komen. Het stemt hem optimistisch. „Ik hoop dat de saamhorigheid en solidariteit die de DDR kenmerkten, terugkomen. Misschien is dit het begin van een ommekeer.”

    • Hans Olink