Meer dan alleen doem

Ulbe Bosma, Remco Raben en Wim Willems: De geschiedenis van Indische Nederlanders. Bert Bakker, 238 blz. €19,95.

Al meer dan tien jaar werken twee wetenschappelijk onderzoekers en een hoogleraar sociale geschiedenis aan een indrukwekkende serie over de Indische cultuur en migratiegeschiedenis. ‘Beweging is de rode draad van dit boek’, schrijven Ulbe Bosma, Remco Raben en Wim Willems in de inleiding op hun nieuwe studie De geschiedenis van Indische Nederlanders. Eerder verschenen van deze auteurs, gezamenlijk of individueel, de wetenschappelijke trilogie De oude Indische wereld, In Indië geworteld en De uittocht uit Indië.

Op het eerste gezicht lijkt De geschiedenis van Indische Nederlanders een synthese van de eerdere werken. Dat is niet zo, al zijn er tal van herkenningspunten. Migratiegeschiedenis, ‘beweging’, zoals de auteurs het noemen, is een wezenlijk onderdeel van de koloniale geschiedenis. Vanaf de vroegste jaren van de VOC tot in de laatkoloniale tijd is er een intens heen en weer reizen geweest tussen Nederland en Indië, later Indonesië. Uit handelsgeest en koloniale expansie togen Nederlanders naar de archipel. De gemengdbloedigen, die daar geboren zijn, dragen volgens de auteurs een zekere ontheemding in zich: ze zijn noch in hun geboorteland noch in Nederland werkelijk geworteld. Daarom is het terecht dat bij de woorden ‘repatriëren’ en ‘repatrianten’ vraagtekens komen. Vele repatrianten kenden Nederland niet eens, dus van terugkeer naar een vertrouwd land was geen sprake.

Er zijn twee grote migraties te onderscheiden, beide gekleurd met eigen sentimenten. Tot aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vertrokken duizenden Nederlanders, later hele gezinnen, naar Nederlands-Indië. Tijdens de Japanse bezetting kwamen zij veelal terecht in de interneringskampen voor burgers. Daarna begon de grote terugkeer: Nederlanders en vooral ook Indische Nederlanders stroomden en masse Holland binnen. De schepen vanuit oost naar west waren boordevol; bij terugkeer waren ze zo goed als leeg.

De opvang van de Indische Nederlanders in de contractpensions, armzalig-koude hotelletjes en naargeestige opvangkampen behoort tot de zwarte bladzijden van de Nederlandse koloniale geschiedenis. Er is veel over geschreven. Nu wordt het nog eens haarscherp uitgelicht. Opmerkelijk is dat de auteurs in deze hoofdstukken over gedwongen migratie en zelfs ‘innerlijke migratie’ de afstandelijke, wetenschappelijke toon laten varen en persoonlijk gaan schrijven. Hiertoe hanteren ze het de pars pro toto: als symbool voor alle indo’s geldt de schrijver Tjalie Robinson (pseudoniem van Jan Boon, 1911-1974) die uit onvrede met de betuttelende Hollandse samenleving naar Californië emigreerde en daar een nieuw bestaan vond, en ook zijn eigen identiteit. ‘Het is een wet uit het domein van de migratie dat mensen zich pas in een ander land van hun identiteit bewust worden’, concluderen de onderzoekers. ‘In zijn staat van ballingschap realiseerde hij zich hoe weinig hij eigenlijk wist van het eilandenrijk van zijn moeder.’

Hoewel het woord ‘tragiek’ niet valt, is opmerkelijk dat de auteurs de migratiebewegingen als een lot of zelfs noodlot beschouwen. Elke bladzijde is ervan doordrenkt. Toch had ik ergens graag willen lezen dat migratie ook verrijking is. De innerlijke verscheurdheid van de Indische Nederlander, het besef te leven tussen twee vaderlanden, is een even onvervreemdbaar als inspirerend gegeven uit de Nederlands-Indische letterkunde. Om Tjalie Robinson als vertegenwoordiger te nemen: was hij geen migrant, geen man van de migratiebeweging, dan bestonden zijn overweldigend strijdbare en gedreven boeken niet. Ontworteling, migratie is niet alleen doem.

    • Kester Freriks