‘Ik zie nog de kussens vliegen’

In de veertiende aflevering van ‘17’, een serie gesprekken met bekende vrouwen over hun jeugd, Rudi Wester, directeur van het Institut Néerlandais in Parijs.

„Tijdens de oorlog hadden mijn ouders twee onderduikers in huis. Dat werd – ondanks het grote gevaar dat zij liepen – gedaan vanuit hun overtuiging. Dat hoorde je te doen, dat was je christenplicht.

„We waren met vijf kinderen en ik was de middelste. Mijn vader was ambtenaar bij de Gemeentelijke Waterleiding in Leeuwarden. We werden gereformeerd opgevoed: op zondag twee keer naar de kerk en niet fietsen, dus ik haalde stapels boeken uit de bibliotheek en ’s zondags las ik. Er werd voorgelezen uit de bijbel. Wat ik heb onthouden is: je moet je licht niet onder de korenmaat steken en gebruikmaken van je talenten.

„Iedere ochtend vlocht mijn moeder mijn lange haar anders. Op weg naar school moest ik over een spoorwegovergang. Daar woonden mensen die later tegen me zeiden: ‘We keken er elke dag naar uit welk kapsel je nu weer zou dragen.’

„Op de lagere school ontdekte men dat ik vrij slim was. De vijfde klas mocht ik overslaan en mijn ouders vonden dat ik naar het gymnasium moest. Dat was heel wat voor een ambtenaarsgezin.

„Met gemak ben ik door die middelbareschooltijd gerold. Mijn vader stuurde me naar spraakles om mijn Friese accent af te leren. Hij vond dat je geen accent moest hebben om verder te komen in de wereld.

„Ik was een mooi meisje, ze noemden me ‘Brigitte Bardot’. Ik had altijd vriendjes die ouder waren, maar ik ging er niet mee naar bed hoor! Het bleef bij zoenen en wat friemelen. Meestal kreeg ik er na een tijdje genoeg van. Ik zei dan: ‘Ik heb er geen zin meer in’ of: ‘Ik vind je niet zo leuk meer.’ Of je had al weer een ander en dan had hij wel door dat het uit was.

„Na de middelbare school ging ik als au pair naar een boerderij in Noord-Frankrijk, daar leerde ik goed Frans spreken. Het lag voor de hand dat ik Franse Taal en Letterkunde ging studeren. Alles aan Frankrijk vond ik mooi en geweldig. Net als iedereen uit Leeuwarden zou ik in Groningen gaan studeren. Ik had al een kamer en ineens dacht ik: ik moet weg uit het Noorden.

„Het gevoel toen ik vanuit Leeuwarden naar Amsterdam verhuisde was: vrij! Ik kan nu alles doen en laten wat ik wil. Van mijn hospita moest ik voor 10 uur ’s avonds thuis zijn, want ze wilde niet dat daarna het toilet nog doorgetrokken werd.

„Het eerste jaar ging uitstekend, maar het tweede jaar was totale vrijheid en losbandigheid. Met het geld van mijn studiebeurs kocht ik bij Max Heijmans een prachtige jurk van 1.200 gulden, de helft van mijn beurs. Totaal onverantwoordelijk, maar heerlijk. Ik werd bij de decaan geroepen: ‘Je hebt niet de juiste instelling om te studeren.’ En ik dacht ‘Waar heeft die man het over? Ik studeer op mijn eigen manier!’ Na dat jaar hield mijn beurs op.

„Ik kreeg veel liefdesbrieven van jongens en die gooide ik allemaal in de prullenbak. Later bleek dat de hospita ze eruit viste, alle liefdespassages uitknipte en naar mijn vader stuurde. Vervolgens heeft ze me er met kop en kont uitgegooid. Ik zie nog de kussens achter me aanvliegen, zo van driehoog de trap af! Typische burgermansmoraal. Al snel had ik een andere kamer en daarna allerlei baantjes.

„Toen ontmoette ik mijn latere echtgenoot: twaalf jaar ouder en directeur van een internationaal marktonderzoekbureau. Hij was bevriend met kunstenaars, schrijvers, door hem kwam ik in dat Amsterdamse intellectuele milieu terecht. Provo’s, bohemiens, het was een groot feest.

„Hij was helemaal weg van mij: prachtige cadeaus, uitstapjes naar Parijs: Hij vond mij geweldig! Ik wilde eerst helemaal niet trouwen maar hij was ook gereformeerd en uiteindelijk trouwden we in de kerk. Ons huwelijk heeft drieëntwintig jaar geduurd. De eerste helft was de hemel en de tweede helft de hel. Hij was al gevestigd en ik een ‘studentje’. Nadat we trouwden ben ik alsnog afgestudeerd. Hoogzwanger deed ik mijn laatste examen.

„Na de bevalling werd ik lerares Frans, dat vond hij niks. Alles wat ik deed vond hij niks. In die tijd begon ik met het schrijven van literatuurkritieken. Eerst voor Trouw, daarna Vrij Nederland. Ik schreef niet onaardig, zat in de redactie van een televisieprogramma. Mijn ster steeg. Ik werd gevraagd in jury’s, besturen, werd directeur van het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds en ineens besteedden mensen aandacht aan mij in plaats van aan hem. Dat heeft uiteindelijk de breuk veroorzaakt. Hij werd iemand die me omlaag haalde en jaloers was op mijn capaciteiten, waarvan ik zelf ook niet overtuigd was: ‘Hij is heel slim dus het zal wel aan mij liggen’. Ik heb me daardoor heel lang dom gevoeld en eenzaam. Het was een dieptepunt in mijn leven.

„Pas na de scheiding ben ik weer opgebloeid. Nooit wil ik meer in zo’n situatie terechtkomen. Ik heb nooit iets uitgestippeld. Belangrijk vond ik altijd: vrijheid, je eigen leven bepalen. Niet afhankelijk zijn van anderen. Ik red me wel. Ik zal niet ten onder gaan aan een verzengende obsessie. Een nuchtere Friezin.”