Hunnen hebben het gedaan!

De val van Rome in de vijfde eeuw was een regelrechte ramp, en ja: er ging een hele beschaving verloren. Twee dissidente historici maken gehakt van de stelling dat we de overgang van Romeinen naar barbaren in termen van geleidelijke aanpassing moeten beschrijven.

Peter Heather: The Fall of the Roman Empire. A New History. Macmillan, 572 blz. € 40,50

Bryan Ward-Perkins: The Fall of Rome and the End of Civilization. Oxford University Press, 248 blz. € 34,50

Julia Smith: Europe after Rome. A New Cultural History 500-1000.Oxford University Press, 384 blz. € 45,50

Vlak na zijn beslissende overwinning op de Goten in 507 kreeg de Frankische koning Clovis het heuglijke bericht uit Constantinopel dat de keizer hem tot consul verheven had. ‘Daar stond hij dan’, aldus Clovis’ biograaf, ‘gekleed in een purperen tunica en een mantel en met een diadeem op zijn hoofd. Daarna besteeg hij zijn paard en strooide hij met eigen hand vrijgevig onder de toegestroomde menigte gouden en zilveren munten uit, langs de hele weg vanaf de poort van de voorhal van de kerk van Martinus tot aan de kathedraal van Tours. Vanaf die dag werd hij regelmatig toegesproken als consul of Augustus!’ Niet alleen werd Clovis aangesproken als keizer, hij gedroeg zich ook zo. Strooien met geld was een van de vele manieren waarop Romeinse keizers de volksgunst trachtten te verwerven en behouden.

Verhalen als deze hebben historici aan het denken gezet over het ons zo vertrouwde beeld van de val van Rome. Ergens hebben wij allemaal in ons hoofd zitten dat er twee redenen zijn waarom Rome gevallen is. De eerste is dat de Romeinen ophielden met vechten en zich overgaven aan luxe en decadentie. Om die uitspattingen te betalen werden de boeren steeds meer uitgebuit, totdat de grens bereikt was en de economie in elkaar stortte. De tweede, externe reden zou zijn geweest dat het rijk na 400 in het ongeluk gestort werd door een vloed van besnorde barbaren – Romeinen droegen nooit snorren! – die een bloedig einde maakten aan alles wat leek op cultuur en beschaving.

Maar zo’n dertig jaar geleden liet de Engelse classicus Peter Brown zien dat de late Oudheid helemaal geen periode van verval was maar een hoogtepunt in de ontwikkeling van de klassieke beschaving. Zo beschreef hij Augustinus als een denker die met kop en schouders uitstak boven alle filosofen uit het Romeinse verleden. Bovendien getuigde de grandioze manier waarop het rijk in de 3de eeuw de gelijktijdige aanval van Perzen en Germanen had afgeweerd ,van een blijvende wil tot hervorming en aanpassing die wees op sterkte en niet op zwakheid. Kortom, in 400 was Rome springlevend.

Vraagtekens

Tegelijkertijd werden er steeds meer vraagtekens gesteld bij het concept ‘Volksverhuizing’. Was de inval van de Germanen wel zo plotseling en verwoestend geweest? Nieuw onderzoek wees uit dat al eeuwen lang Germaanse stammen tot het rijk waren toegelaten, meestal door ze als hulptroepen in dienst te nemen. En bovendien, zoals uit het voorbeeld van Clovis blijkt, waren die Germanen helemaal geen ongewassen barbaren die alles kapot wilden slaan wat op hun weg kwam. Integendeel, zij wilden opgenomen worden in het leven van Rome en delen in de zegeningen van de Romeinse beschaving, door christen te worden, door Latijn te leren en het gezag van de keizer te eerbiedigen. Had Odoacer, de barbaarse koning die in 476 de laatste Romeinse keizer in het Westen afzette, niet de keizerlijke regalia teruggestuurd naar Constantinopel om te onderstrepen dat Italië nu weer onder de keizer van het Oosten viel?

Om de 5de eeuw te beschrijven gingen historici steeds meer verzoenende woorden gebruiken als accommodatie en transformatie, en zij vermeden voortaan termen als crisis en confrontatie. En dat leidde natuurlijk tot de hamvraag: konden wij eigenlijk nog wel spreken over de val van Rome?

Hoe interessant die vraag ook moge zijn, het is een discussie onder beroepshistorici gebleven, een breder publiek heeft zij nooit bereikt. En dat hoeft nu ook niet meer, want onlangs zijn er twee boeken verschenen die de val van Rome helemaal terugzetten op de agenda. Peter Heather is historicus, Bryan Ward-Perkins archeoloog, beiden komen tot de conclusie dat er in de 5de eeuw wel degelijk een ramp gebeurd is die de ondergang betekende van een beschaving. Maar daarmee keren zij niet terug tot de traditionele these dat het rijk in moreel of economisch verval was en daarom de druk van buiten niet langer kon weerstaan. Met Brown houden zij vol dat er intern met het rijk niets aan de hand was. De economie bloeide, het hervormde leger was tegen zijn taak opgewassen, en de acceptatie van het christendom versterkte het gevoel dat de Romeinen Gods uitverkorenen waren. De grote klap kwam van buiten.

Heather laat er geen twijfel over bestaan wie de schuldigen waren, de Hunnen. Dat lijkt niet verrassend, want iedereen heeft gehoord van Attila, de Gesel Gods. Maar volgens Heather was Attila helemaal niet zo gevaarlijk – zoals bleek uit de verpletterende nederlaag die de Romeinse generaal Aëtius hem in 451 toebracht op de Catalaunische velden. Het eigenlijke gevaar van de Hunnen lag veel eerder, in de jaren 350-400, toen zij door hun mars vanuit de Aziatische steppen naar het Westen alle Germaanse stammen tussen Wolga en Rijn in rep en roer gebracht hadden. De Germanen sloegen op de vlucht en zochten de bescherming van Rome. Kregen zij geen toestemming om het rijk binnen te trekken, dan kwamen zij toch maar, in de hoop dat zij het later op een akkoordje konden gooien met de keizer.

Volksstammen

Heather benadrukt dat het hier niet om kleine groepen soldaten ging maar om complete volksstammen die vanaf 376 met hun hele hebben en houden de Rijn en de Donau overstaken. Toch had het Romeinse leger deze groepen onder controle kunnen krijgen, als niet in 430 een van die stammen, de Vandalen, was overgestoken naar Afrika en daar de rijkste provincie in het Westen bezet had. In één klap was Rome zijn melkkoe kwijt en daardoor op een cruciaal moment niet meer in staat een groot leger op de been te houden. Wie veiligheid wilde, kon zich voortaan maar beter verstaan met de koningen van de Goten, de Vandalen en de Franken.

Wat direct opvalt aan Ward-Perkins’ boek is de ironische toon. Al op de eerste bladzijden distantieert hij zich van zijn onderwerp met de opmerking dat hij Romeinse senatoren altijd als een stelletje arrogante ballen heeft beschouwd. Maar dat neemt niet weg dat zij een prestatie van formaat hebben neergezet. Hij is het dan ook helemaal met Heather eens dat niet innerlijk verval maar krachten van buiten de val van het rijk in het Westen hebben veroorzaakt.

Maar Ward-Perkins gaat veel verder als hij laat zien dat de militaire ineenstorting in het Westen ook leidde tot een economische catastrofe. Veiligheid was de grootste economische stimulans die het rijk altijd gegeven had. Daardoor was een enorm economisch vrijhandelsgebied ontstaan, dat het mogelijk maakte om producten over lange afstand goedkoop te vervoeren. Dat leidde tot een economische ontwikkeling die niet ongelijk was aan de huidige globalisering, en met dezelfde gevolgen: in het hele rijk waren producten van goede kwaliteit voor matige prijzen beschikbaar. Ward-Perkins laat dit zien aan de hand van de overblijfselen van aardewerk en dakpannen. Na 500 stortte dit complexe economische netwerk in elkaar, met als gevolgen: oplopende prijzen, dalende kwaliteit, terugval in een primitieve ruileconomie. Huizen met dakpannen werden alleen nog gebouwd voor de allerrijksten, de rest moest het voortaan weer doen met strooien hutten. De landbouwproductie daalde dramatisch, hongersnood en pest werden alledaagse verschijnselen.

Hoe West-Europa er na de ineenstorting ging uitzien, is het onderwerp van Julia Smith in een boek waarin zij soeverein meesterschap over de stof toont. Als alle vroeg-mediëvisten stelt zij zich teweer tegen de populaire zienswijze dat de eeuwen van 500-1000 een duistere periode waren. Toch kan zij niet verhelen dat West-Europa in die eeuwen een primitieve samenleving was. Onderscheidde de Romeinse elite zich vooral door haar geletterdheid, na 500 was het behendigheid met de wapenen die heren en horigen van elkaar scheidde. Lezen en schrijven werden het voorrecht van de geestelijkheid.

Telkens weer benadrukt Smith hoe lokaal de vroegmiddeleeuwse samenleving was: er was alleen handel in luxegoederen, al het overige werd geproduceerd voor eigen verbruik. Eén misoogst leidde direct tot honger en ziekte. In een dergelijke harde omgeving waren solide vriendschapsbanden en hechte familiezin voorwaarden om te overleven. Onderlinge betrekkingen werden in stand gehouden met een stroom van giften en geschenken, waardoor solidariteit gecreëerd en in stand gehouden werd.

De stad Rome zelf was nog maar een schaduw van haar vroegere glorie, de paleizen op de Palatijn stonden leeg, op het Forum graasden koeien, wat er nog aan leven was verplaatste zich naar de rand van de stad, naar het Vaticaan en het Lateraan. Maar het prestige van Rome bleef enorm. Succesvolle koningen tooiden zich graag met de titel van keizer, de meest succesvolle van allemaal, Karel de Grote, werd in 800 zelfs tot keizer gekroond. Wat wij zien als een nieuw begin, zagen zij als herstel. Waar wij discontinuïteit zien, zagen zij continuïteit. Dat maakt het debat over de val van Rome ook zo moeilijk. Historici moeten de mensen waarover zij schrijven serieus nemen. Als zij dat doen, moeten zij aansluiten bij de ervaring van de mensen toen dat er wezenlijk niet zoveel veranderd was en dus woorden gebruiken als ‘transformatie’ en ‘accommodatie’. Maar één blik op de economie laat zien dat er wel degelijk sprake was van een ineenstorting en een nieuw begin. Het dilemma dat hierdoor ontstaat is onoplosbaar maar wel hanteerbaar zolang wij ons realiseren dat het onze ‘val van Rome’ is waarover wij praten en niet de hunne.