Hoe het niet hoort

In een serie over heruitgegeven klassieken deze week ‘Zes dagen. Gesprekken over het hoerenbestaan’ van Pietro Aretino

(Uit het Italiaans vertaald door Yond Boeke en Patty Krone. Men een voorwoord van Ilja Leonard Pfeiffer. Athenaeum, Polak & Van Gennep, 420 blz. €24,95)

Pietro Aretino Titian (1488-1576) Portrait of Pietro Aretino Oil on canvas, 1545 42 1/2 x 29 7/8 inches (108 x 76 cm) Galleria Palatina (Palazzo Pitti), Florence

‘Door zijn expliciet seksuele gerichtheid werd Pietro Aretino (1492-1556) de afgelopen eeuw vooral gelezen door academici en clandestiene gebruikers.’ Een mooie regel uit de internet-encyclopedie Wikipedia. Aretino was geen schrijver van de straat. Hij verkeerde in kringen van paus Leo X, voerde correspondentie met kunstenaars als Titiaan en Michelangelo en schreef religieuze manifesten en toneelstukken als II Marescalio (1533) en La Talanta (1542). In 1524 schreef hij berucht geworden sonnetten bij gravures van Marcantonio Raimondi, een hele inventaris van lijfgemeenschapsvariaties. En omstreeks 1520 had hij al zijn Ritratto di una cortigiana geschreven, dat als Zes dagen. Gesprekken over het hoerenbestaan in het Nederlands werd vertaald. Expliciet en zeer pittig. Maar niet alleen dat. Want de literaire traditie van de expliciet seksueel gerichte werken is niet zo plat als het lijkt. Het gaat om proza of poëzie die een beroep doen op het onderlijf. In het geval van Zes dagen zijn het gesprekken tussen vrouwen ‘uit het leven’.

Een liefhebber van literatuur is ook maar een mens, en hier en daar is Zes dagen gewoon een geil boek. Hetzelfde geldt voor het werk van 18de-eeuwers als Sade of van Mirabeau. Het onbekommerd neerpennen van lusttaferelen moet auteurs als genoemden ook een gevoel van vrijheid hebben gegeven, zowel Aretino aan het pauselijke hof als Sade tijdens zijn gevangenschap in de Bastille of Mirabeau in de levensgevaarlijke, politiek-sociale chaos van de Franse Revolutie. Van dat vrijheidsgevoel krijgt de lezer ook iets mee. Hij kan zich een boek lang in een wereld wanen waar alleen de lust telt, en banden van dagelijkse praktijk en moraal zijn verbroken. En dan is er het literaire aspect. In alle expliciet seksuele beschrijvingen bij Aretino en Sade wordt niet slechts verwezen naar zalen, kamers en alkoven met steamy windows, de vorm (de taal) is zeker zo belangrijk. Zo zou je uit de woorden van Nanna, de courtisane (hoer) uit de eerste dialogen, zonder veel moeite een woordenboek kunnen samenstellen met woorden en uitdrukkingen die variëren op ‘kut’, ‘lul’ en ‘neuken’: doedelzak, het zo rode, dampende en cholerische geval, het openen der bladen van haar aarsmissaal, verfpotje, spijker, pastinaak, tuinboontjes besproeid met zaad, het spuitende water dat de molensteen doet rondgaan, de mast van de zeilen ontdoen, de vink van de vader en de putter van de zoon, haar kooi opengezet en de nachtegaal erin gedaan, een bezem waarmee je de langste schoorsteen kunt vegen, zijn schietspoel tussen haar kettingdraden, et cetera. Vindingrijk is Aretino beslist.

Je zou hem bijna geloven als hij een personage laat zeggen dat de ‘honderdnovellenschrijver’ (Boccaccio) na alle coïtale beeldspraken in Zes dagen wel kan ophouden. Humoristisch is Aretino ook. Zo varieert hij elders op ‘neuken’ met ‘draafde zijn hengst nog vier keer tot aan het midden van onze levensweg’. Hé, denkt de Dante-lezer, dat ken ik! Dante’s Hel opent immers met ‘Op het midden van mijn levensweg bevond ik mij in een donker woud’. En Aretino zet zijn grapje voort.

Antonia: Zoals Petrarca zei.

Nanna: Dante, bedoel je.

Antonia: Petrarca toch?

Nanna: Nee, nee, Dante.

Geouwehoer? Zeker. Maar dan wel het hogere ouwehoeren, zoals Rabelais dat in zijn Gargantua en Pantagruel (1532) bedreef, of Chaucer (1343-1400) in zijn ‘De vrouw uit Bath’ uit de Canterbury Tales.

Ik noemde de naam Rabelais, wiens op veel plaatsen encyclopedische en lexicon-achtige verhaal over twee reuzen een soort omgedraaide wereld laat zien. Alles omgekeerd, zoals bij het carnaval. Op eenzelfde manier zou je Zes dagen van Pietro Aretino kunnen lezen als een omgekeerde Hoe hoort het eigenlijk? van Amy Groskamp-Ten Have. Alle Aretino-gesprekken, of ze zich nu afspelen tussen de hoer Nanna en vriendin, Nanna en haar dochter Pippa, of tussen een hoerenmadam en haar gespreksgenote, concentreren zich op hoe het niet hoort. De wereld van de Aretino-personages draait om twee dingen: lust en geld. Voor de rest is er slechts bedrog en schijnheiligheid. Zoals Aretino zelf schrijft in een van de opdrachten die de verschillende dialoogdelen in Zes dagen scheiden: hij wil de wereld verbeteren ‘door de waarheid binnen te leiden in de vertrekken en de oren van de machthebbers’.

Zes dagen past in de beste traditie van de erotische literatuur, als dwars werk dat eerder de duistere waarheid van het menselijk bestaan opzoekt dan de lichte, eerder het onderlijf dan iets als geest. De ‘geestige’, talige kant van Zes dagen intussen kun je thuisbrengen als een typische uiting van het humanisme, de periode waarin de moedertaal het Latijn als schrijftaal vervangt. In het humanisme werd de geschreven moedertaal als het ware ‘uitgevonden’, terwijl de kerkelijke overheid zich liefst van het Latijn bleef bedienen. In de grote erotische literatuur zit iets van verzet tegen de heersende moraal. Dat verzet houdt niet op bij moraal. Is men eenmaal ondergronds gegaan, dan hoeft men zich immers evenmin in te houden als het om (kerk-)politiek of sociaal verzet gaat. Maar alle academische, literatuurhistorische overwegingen op een stokje: Zes dagen is een hier en daar geil, niet zelden humoristisch, maar overal prachtig geschreven, erudiet boek over de listen en lagen van het hoerenbestaan. Clandestien lezen hoeft niet meer, elke lezer kan het open en bloot ‘gebruiken’.